De nakomelingen van Hendrik IV

Hendrik IV was vader van meerdere buitenechtelijke kinderen en in plaats van zich te schamen voor zijn zonden tegenover de kerkelijke huwelijksmoraal was hij er nog trots op ook. Ook hier stond hij in de traditie van zijn voorgangers.

“… de uit echtbreuken ontsproten zonen werden toen zij meerderjarig werden als legitieme zonen van staatswege en voor de edelen, versierd en sierlijk uitgedost, met liefde door hemzelf en met genegenheid door de zijnen omhelsd, …”, aldus Manegold van Lautenbach. Voor Jahrbücher-samensteller Gerold Meyer von Knonau waren dit “de walgelijkste, elke zedelijke maatstaf overstijgende aanklachten tegen Hendrik IV”. In werkelijkheid was dit eerbetoon aan de bastaardkinderen een oude keizerlijke traditie. Karel de Grote, die er minstens vijf vrouwen en zeventien kinderen op na hield, bewees zijn toegenegenheid zowel aan zijn bastaardkinderen als aan zijn legitieme kinderen.[1] Over Hugo van de Provence (of Hugo van Arles, 10e eeuw) werd gezegd: “men kent negen vrouwen en bijvrouwen van Hugo en even talrijk waren zijn zonen en bastaardzonen. Zij werden allemaal verzorgd. De een kreeg het aartsbisdom Milaan, een ander het klooster Nonantola, een derde het markgraafschap Tuscië, enz.”[2]

Een van de natuurlijke zonen van Hendrik IV “vocht uitstekend in het leger en behaalde op 15 oktober 1081 een overwinning[3] tegen Mathilde van Canossa”. Deze zoon moet destijds meerderjarig (tenminste 14½ jaar) geweest zijn er werd dus waarschijnlijk vóór 1066 geboren, het jaar waarin Hendrik IV gedwongen werd met Bertha van Turijn te trouwen. Deze – of een andere – zoon van Hendrik IV  kwam in 1092 om het leven bij de belegering van Canossa[4].

Parallel zu den Verhandlungen von Carpineti gingen die Kämpf um Monteveglio weiter. Der Tod eines Sohnes – vermutlich jenes natürlichen Sprosses, der 1080 bei Volta ein markgräfliches Heer besiegt hatte – hat Heinrich IV hier tief getroffen; Er liess ihn wohl in San

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Zeno zu Verona mit königlichen Ehren bestatten.[5]

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Crypte van San Zeno te Verona met grafmonumenten.

 

 

 

 

Graftombe in de crypte van San Zeno te Verona. Het is de zogeheten tombe van Julia.

 

 

 

Uit het huwelijk met Bertha van Turijn kwamen, nadat de voorgenomen echtscheiding door de paus verboden was, vijf kinderen voort. De oudste zoon Hendrik stierf kort na zijn doop.

De beide dochters heetten Adelheid en Agnes.  Adelheid stierf al op jonge leeftijd en werd begraven in het familiegraf in de crypte te Speyer. Het lijkt alsof Hendrik IV zeer op haar gesteld was. In elk geval deed hij meerdere schenkingen aan de kerk van Speyer die waren opgedragen aan haar zielenheil en haar dodenherdenking. In een oorkonde van 18 juni 1086 wordt hier zelfs extra de nadruk op gelegd.[6] Ook in oorkonden uit 1091[7] en van 10 pril 1101[8] wordt Adelheid herdacht.

De jongste dochter Agnes moet over een ijzeren gezondheid hebben beschikt. Zij werd in twee huwelijken moeder van maar liefst 18 kinderen en bereikte de destijds hoge leeftijd van 70 jaar.

Als kind werd zij in 1079 verloofd met de hertog van Zwaben, Frederik van Hohenstaufen, die, hoewel hij uit en klein en weinig aanzienlijk adellijk huis stamde, een van de belangrijkste aanvoerders in het koninklijke leger was. Het kostte haar vader duidelijk moeite dit offer te brengen. “Mijn dochter, die immers de enige is die ik heb, overhandig ik aan jou, in het noodlot van het huwelijk”, zou Hendrik IV tegen Frederik hebben gezegd[9]. De bruiloft werd nog geruime tijd uitgesteld en vond in 1085 (of 1089) plaats.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Er werden 6 zonen en dochters geboren, waaronder Frederik I, hertog van Zwaben( 1090-1147), de vader van Barbarossa en Koenraad III (1093-1152).

Koenraad III

Na de dood van Frederik in 1105 trouwde Agnes met markgraaf Leopold III van Oostenrijk. Volgens een legende vond Leopold jaren later toen hij op jacht was een sluier terug die Agnes eens verloren had en stichtte hij op die plek de abdij Klosterneuburg.

Hun kinderen waren Leopold IV, Hendrik II Jasomirgott, Bertha, Agnes, Ernst, Otto bisschop van Freising, Koenraad bisschop van Passau, Elizabeth, Judith en Gertrude.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Leopold IV

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Hendrik II Jasomirgott

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Otto van Freising, bisschop en biograaf van zijn neef Frederik I Barbarossa.

 

 

 

 

 

 

De tweede zoon van Hendrik IV en Bertha was Koenraad, die tijdens de Saksische oorlog op 12 februari 1074 in het klooster Hersfeld geboren werd.

De op bijna 2-jarige leeftijd als opvolger van Hendrik IV erkende Koenraad begeleidde zijn vader in 1076/77 op zijn tocht naar Canossa.

Toen Hendrik IV met zijn echtgenote Bertha na het Canossa-avontuur via Aquileia en de steile bergpassen van Karinthië  naar Beieren terugkeerde, vertrouwde hij Koenraad toe aan de zorgen van de anti-Gregoriaanse bisschoppen van Milaan en Piacenza en andere bisschopssteden  in Noord-Italië[10].

Koenraad begeleidde het koninklijke leger bij de tochten naar Italië en bleef daar ook na de keizerkroning van Hendrik IV (?)

Op 30 mei 1087 werd hij in Aaken tot koning gewijd.

Na de dood van Adelheid van Turijn liet Hendrik IV zijn zoon Koenraad in 1092 de mark Turijn in bezit nemen.[11]

 

Door markgravin Mathilde van Tuscië tot overlopen naar het pauselijke kamp bewogen, werd hij in 1093 in Milaan tot koning van Italië gekroond.

Kort na de Synode van Piacenza (1095) legde hij in Cremona een eed af op paus Urbanus II en vervulde de dienst van Strator (maarschalk?), waarop deze hem de keizerkroning toezegde.

Als bondgenoot van Welf versperde hij de weg over de Alpen voor zijn vader, zodat deze 4 jaar lang in een klein gebied van Italië moest blijven.

Urbanus II bemiddelde voor hem bij het huwelijk met Maximilla/Constance, de dochter/zuster van Rogier van Sicilië. Zij trouwden in Pisa.

Op een Rijksdag in Mainz (1098) werd Koenraad voor afgezet verklaard.

Koenraad kreeg onenigheid met Mathilde nadat zij graaf Guido Guerra als adoptiefzoon aannam.

Zijn laatste levensjaren verbleef Koenraad in Florence, een stad die beheerst werd door de Guidi. Hier stierf hij op 27 juli 1101 aan een koorts. Boze tongen beweerden dat Mathilde hem had laten vergiftigen. Hij werd begraven in de kathedraal Santa Reparata, op de plaats waar nu de Dom staat.

Over de dood van Koenraad:

 

Donizo, Vita Mathildis, Lib. II, c. 13, v 919-924:  das Konrad – infra Longobardos comitatus – discors a Mathildi (war): Duravit modicum discordia talis. Nam petiit partes Tuscana rex; ibi tandem nobilibus quidam facientibus expulit iram; ad pacem rimam rediit bene cum comitissa. (SS. XII, 397).

 

Landulf van St. Paulus in Compito, Histor. Mediolanens,, c. 3:  Rex… mox in Tusciam adire temptavit, et cum pervenisset Florentiam, rex ipse prudens et sapiens atque decorus specie, proh dolor adolescens, accepta potione ab Aviano, medico Matildis comitissae, vitam finivit. (SS. XX, 22)

 

Mariani Scotti Chron. Contin. I, a. 1123 (resp. a. 1101): Chonradus, filius imperatoris, in Longobardia veneno periit ….

 

Rec, B, des Chron univ. Des St. Michelsberger Mönches : Chuonradus rex adolescens, nono postquam a patris palatio descesserat anno, Mahtildis, magnae illius et nobilissimae et, ut quidam dicunt, religiosae feminae, sicuit sanguine ita et contubernio conjunctus, et inrebus pere Italiam disponendis tam illius quam domni apostolici ceterarumque Deum timentium personarum consilio semper usus, immaturo praeventus occasu, plena fide et bona confessione a regno transitorio ad aeternum creditur, regnum migrasse. Sunt etiam qui veneno eium dicant interisse

Würzburger Chronik : Chuonradus, filius imperatoris, in Longobaria veneno periit. Testari solent qui aderant, in brachio corporis exanimi crucis signaculum subito exortum se vidisse ipsasque quibusdam miraculis honorificatas fuisse.

Casus monast. Petrishus., Lib. III, c. 45 : veneno vitam finivit atque apud  Florentiam civitatem spultus quiescit (SS V, 562, VI, 219 en 220, XX 648)

 

Donizo zegt : (l.c. v. 925-928) Post ipsam pacem febre tactus  – Julius autem mensis erat- magnus moritur chonradus … Eius habet corpus Florentia florida prorsus.

 

Vita  Heinrici : c. 7 Ein Krieg der zwei Söhne sei vermieden worden, „qui omnia dispensat, hunc metum leto majoris filii sustulit, et ut regnum in unam concordiam redire posset, occasionem dedit .

 

Wlliam van Malmesbury : c. 288, Henricus … habebat filios duos, Conradum et Henricum ; prior nihil impium contra parentem ausus, subjugata italia, apud Arentium civitatem Tusciae dies expleverat »

 

Eigenschappen van Koenraad : Die Charakteristik Konrd’s enhält die Rec. B. des Michelsberger Mönches, die Chron. Univ., a. 1099, wo der vir per omnia catholicus et apostolicae sedi subjectissimus, plus religioni quam fascibus vel armis deditus, fortitudine tamen et audacia satis et super instructus – lectioni quam lusibus vacare malebat – gerühmt wird.  (schon vorher: tantum indolis suae per orbem Romanum diffundeus interim odorem, ut nemo religiosus, nemo sapiens in ipso salutem rei publicae constituendam fore dubitaret); weter hess er miseris omnimodis, sed precipue militibus inopia strictis, compassione et misericordiae fructu proximus, nemini contemptum, nemini vim, nemnini prejudicum intendens, omni personae omnique conditioni affabilis, indeque non immerito Deo et hominibus semper amabilis, ausserdem auch corpore apparime decorus ac statura procerus; dan hess es noch von him: murmur, quod per totum Romanum imperium patris sui mores laniabat, quodque ipsum sibi offensae patris ac suaeab illo discessionis causa extitit, auribus propriss nunquam patiebatur inferri (vorher wurde gesagt: ) Chuonradus causam rebellationis suae paucis tantum ubique familiarissimis in regno detegens), semper illum dominum suum et caesarem vel imperatorum cognominans; universos a palatio patris adventantes sub appaelatione conservorum, licet infimos, sociali benevolentia tractans (SS VI, 211).  (M.v.K. 3, 393, n. 4.).

Over het verband tussen Koenraad en Praxedis: zie ook Albert von Stade, Annales, SS. XVI, 316 u. 317 met dezelfde discussie tussen vader en zoon.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Deze afbeelding in het Evangeliarium van St. Emmeram (Regensburg) kreeg in “Das Jahrhundert der Salier” het volgende bijschrift: “In het Evangeliarium van St. Emmeram (Regensburg) van 1105/06 wordt de idee van de dynastie eenheid in het Salische Huis tot uidrukking gebracht. Beide zonen van Hendrik IV staan ondanks hun rebellie eendrachtig naast hun vader”[12]

Nu is er met deze afbeelding wel iets merkwaardigs aan de hand. “Heinricus imperator”, de bebaarde figuur in het midden, is de keizer en de oudste in het gezelschap. Aan zijn rechterzijde staat “Heinricus rex”, een jongeman met een snor. Links van de keizer staat “Chuonradus rex”, een jongeling zonder baard en duidelijk de jongste. Koenraad, geboren in 1074, was echter de oudste zoon van Hendrik IV. Hij werd in 1087 tot koning gekroond, inderdaad als baardeloze knaap van 13 jaar. Hendrik V echter, werd geboren in 1081, volgens sommige theorieën zelfs in 1086. Hij was dus zeven tot twaalf jaar jonger dan zijn broer Koenraad. Het is haast ondenkbaar dat een schilder die de Salische dynastie wilde afbeelden hem ouder dan Koenraad gemaakt zou hebben.

Op de onderste helft van de bladzijde zijn drie abten van het klooster St. Emmeram te Regensburg afgebeeld. Ook hier staat de oudste in het midden. Dit is de heilige abt Ramwold (995-1000) met het zilverkleurige haar. Ramwold werd bijna 100 jaar oud. Rechts van hem, met het kalende hoofd maar nog niet grijs staat abt Eberhard I (ca. 1060-1068). Links van Ramwold is abt Rupert afgebeeld (1068-1095), die de opvolger was van Eberhard I. Vermoedelijk is hij de regerende abt.

Het Evangeliarium van Regensburg is waarschijnlijk tijdens de ambtsperiode van abt Rupert ontstaan en werd door Judith, de zuster van Hendrik IV, die als weduwe lange tijd in Regensburg verbleef, meegebracht naar Polen toen zij in 1088/89 een tweede huwelijk aanging met de Poolse hertog Wladisaw I. Het boek kreeg daar bekendheid als het Evangeliarium van Krakau.

De afgebeelde vorsten zijn dan ook niet Hendrik IV met zijn zonen, maar drie generaties uit de Salische dynastie. In het midden zien we keizer Hendrik III met baard. Rechts van hem staat zijn zoon Hendrik IV met de karakteristieke snor waarmee hij gewoonlijk werd afgebeeld en aan zijn linkerzijde de jongste in het gezelschap, koning Koenraad.  Van Hendrik V is er geen afbeelding; hij lag nog in de wieg.

[1] Richer, P, Die Karolinger, 170.

[2] Richer, 283.

[3] Bonitho, L. IX, p. 613, r. 25.

[4] Gisebrecht, W. v., Bnd 3, p. 1106, verwijzend naar Bonitho, p. 677).

[5] Struve, T., 137. Donizo, Vita Mathildis II, 7. p. 77, v. 663-667. Over de slag bij Volta Bernoldi Chronicon 1080, Bonizo, Ad amicum IX (MGH Ldl 1, p. 613, r. 25-26).

[6] “pro animabus parentum nostrorum ac specialiter pro memoria dilectae filiae nostrae Adalheidae, tum nostra salute.”

[7] “Pro remedio animae filiae nostrae Adelheidae et filii nostri Heinrici”.

[8] “Pro anima filiae nostrae Adelheid in Spirensi crypta sepultae”.

[9]  “Filiam quippe unicam quam habeo, tibi in matrimoniam sortiendam trado”. Otto van Freising, Gesta Friderici, Lib. I., c.8.

[10] Bernoldi Chronicon: “Rex …postquam…filium suum symoniacis antiepiscopis, Mediolenensi, Placentino et caeteris per Italiam excommunicatis procurandum commendaverat, ipse uxore assumta.. per Carantaniae abruptas angustias Bagoariam cum paucis clandestina et inopinata surreptione vix intraverat ». M.v.K. III, 20.

[11] Struve, T., Salierzeit im Wandel,136.

[12] Weinfurter, Stefan, Das Jahrhundert der Salier.1024-1125. Kaiser oder Papst. (Sigmaringen, 2004). 170.

Geplaatst in Persoonlijkheid en uiterlijk | Plaats een reactie

Sinsheim. De nakomelingen van de koning die hij niet in Speyer kon begraven.

Reeds de aartsvaders in het Oude Testament, aan wie de middeleeuwse vorsten zich graag spiegelden, waren polygaam geweest. Uit de tijd van de Germaanse kerstening dateerde het begrip “Friedelehe”, een huwelijk met een “concubine” (bijvrouw) dat niet door de kerk werd ingezegend, maar toch niet zonder betekenis was. De bastaardkinderen van de Karolingische en Ottoonse koningen genoten een hoog maatschappelijk aanzien, kregen meestal een bisschopsambt en brachten het soms zelfs tot koning.

Ook Hendrik III heeft naast de door zijn ouders uit politieke overwegingen voor hem gearrangeerde huwelijken relaties onderhouden met vrouwen die een meer persoonlijke betekenis voor hem hadden. Van de kinderen die vervolgens werden geboren, zijn twee met name bekend, Azela en Cuno. De Jahrbücher van Bresslau en Steindorff zwijgen hier preuts over en het gebrek aan geschreven bronnen laat veel vragen onbeantwoord, maar door wat puzzelstukjes aan elkaar te passen kan men het volgende beeld reconstrueren.

De bastaardkinderen van zowel Koenraad II als Hendrik III hadden banden met de afstammelingen van Graaf Zeizolf, die eind 10e– begin 11e eeuw in Wormsfeld aantoonbaar is als vazal van Koenraad van Karinthië, de oom van Koenraad II. De namen Zeizolf en Wolfram komen in hun geslacht veelvuldig voor. Speyer, de Nahegau en Wormsfeld werden naar het schijnt door leden van deze familie als vice-graven en vertegenwoordigers van de Saliërs bestuurd[1]. Koenraad II moet voor zijn huwelijk met Gisela een relatie hebben gehad met een dame uit de Zeizolf/Wolfram- familie waaruit de in 1031 gestorven zoon Wolfram geboren werd.

Over bisschop Johannes I van Speyer (1090-1104) zeggen de Annales Spirenses dat hij een zoon was van graaf Wolfram in de Kraichgau, (die ook uit de bovengenoemde familie te Wormsfeld stamde) en “Azela”, een verder onbekende zuster van Hendrik IV.[2] De naam Azela is een vleivorm van Adelheid, zoals ook de grootmoeder van Hendrik III heette. Johannes, die in 1063 geboren werd, had twee oudere broers, Zeizolf en Wolfram en een zuster, gravin Judda (ook de naam Judith kwam in de familie van Hendrik III voor). Verder was er nog een nicht, de dochter van Zeizolf, die ook Adelheid heette.[3]

De Annalen van Speyer gaan uitgebreid in op het leven van deze bisschop van koninklijken bloede en zijn overige familieleden, afstammelingen van Hendrik III met hun bezittingen.

“Bisschop Johannes, was de zoon van graaf Wolfram van Arduenne, die veel graafschappen bezat, namelijk in de Kraichgau en Enzeberch en vele bezittingen, die hem verwekte bij Azela, een zuster van Hendrik de Oudere (Hendrik IV). Een broer van bisschop Johannes was graaf Zeizolf en gravin Adelheidis was een dochter van zijn  broer, die getrouwd was met paltsgraaf Hendrik maar zonder kinderen bleef. Uit hun verbintenis kwamen Kestenburc, Meystersel en Diethensheim aan de kerk van Speyer.

 

 

 

 

 

 

Hendrik de Oudere bracht de zoon van zijn zuster toen hij een jongen was naar Worms. Bisschop Johannes werd aartsdiaken van Sinsheim en keek toe in Worms. En bisschop Johannes ruilde met de bisschop van Worms en gaf hem twee parochies Batinheim en Neberouwe in ruil voor de kerk van Sinsheim. De kerk van Sinsheim was gesticht door de overgrootvader van de genoemde bisschop Johannes en hij was er begraven door de kanunniken.

Deze bracht hij over naar Speyer naar St. Germanus en stichtte daar een aartsdiakonaat.En hij bracht monniken mee van St. Germanus waar koning Dagobert bijgezet was en introduceerde hen bij de monniken van Sybergen. En hij verrijkte haar (de kerk) zeer. Hij bracht naar de kerk van Speyer zijn allodium Steinweiler en hij herstelde aldaar het patronaat van St. Lambertus[4]. Veel gaf hij aan de kerk van Speyer, al zijn vazallen en ridders, boerenfamilies gaf hij aan Sinsheim. Uit liefde gaf gravin Adelheydis haar graafschap Enzesberch, Sinsheim en veel landgoederen. Hij/zij gaf aan de kerk van Speyer veel bezittingen. Hij/zij bouwde zelfs een abdij in Blaubeuren in Zwaben. Bisschop Johannes gaf prebenden terug aan Speyer en met hem en door hem vermeerderde Hendrik de Oudere de schatten van de kerk van Speyer.

Nadat hij 16 jaar de kerk van Speyer geregeerd had, stierf hij tijdens het schisma dat er was tussen paus Paschalis en zijn moedersbroer Hendrik IV. Hij is begraven in Sinsheim bij zijn moeder Azela en zijn broer Zeizolf. Daar is ook zijn vader graaf Wolfram begraven en graaf Siegfried[5] en de heilige gravin Adelheydis en de hele nakomelingschap van de koningen die hij niet overbrengen kon naar Speyer.

Na de dood van bisschop Johannes ging gravin Adelheydis naar Rome om vergiffenis voor hem te vragen omdat hij bij zijn moedersbroer gebleven was tijdens diens schisma. En zij gaf veel geschenken aan paus Paschalis die hem absolutie verleende.

Bisschop Johannes was maagd en heilig. En veel geweeklaag klonk na zijn dood van zowel de vorsten, de clerus en het hele volk. Hij was zeer bezig geweest met het herstellen van kerken en het verdelen van aalmoezen. Alles wat hij bezat uit het overlijden van zijn ouders gaf hij aan God en de kerken. Hij was een mooie man, gematigd en beschroomd. ’s Nachts hield hij vigiliën en maakte ommegangen rond de gebedshuizen van Speyer. Hij hield veel van de armen. Hij stierf op 41-jarige leeftijd.”[6]

De betrouwbaarheid van de annalen van Speyer, en daarmee het bestaan van Azela, de zuster van Hendrik IV, werd door Gerold Meyer von Knonau resoluut van de hand gewezen[7]. Hij wees erop dat Johannes niet door Hendrik IV tot bisschop verheven kan zijn toen hij nog een jongen was.  In 1090 was Hendrik IV zoals bekend allang volwassen. Maar zo staat het er ook niet geschreven. Johannes zelf was nog een jongen toen hij door Hendrik IV voor zijn opleiding naar Worms gebracht werd. De annalist gaat inderdaad slordig te werk wanneer hij het heeft over de drie dochters van Hendrik V die hij tijdens zijn leven zou hebben uitgehuwelijkt. Hoewel het niet uitgesloten is dat Hendrik V drie dochters heeft gehad – één dochter, Bertha[8], trouwde in 1117 met graaf Tolomeo II van Tusculum,[9] – is de rest van het verhaal nogal rommelig[10]. Afgezien van deze omissie is er geen reden om aan de hele inhoud van de annalen van Speyer te twijfelen. Als  Hendrik V drie dochters zou hebben gehad, zou hij ze waarschijnlijk Adelheid, Agnes en Bertha hebben genoemd. In die volgorde. Eerst werden de zusters van de koning benoemd en dan zijn moeder. Uit de mededelingen in de annalen van Speyer zijn in elk geval een Adelheid en een Agnes te distilleren. Een dochter Bertha kenden we dus al uit een andere bron[11].

Nog avontuurlijker is de volgende bewering van de annalist van Speyer:  “Deze zelfde keizer had als echtgenote een zuster van hertog Welf van Beieren”. Bedoeld wordt waarschijnlijk hertog Welf V de Dikke (1072-1120), tijdgenoot van Hendrik V, die een zuster had die Kunizza heette[12]. Over betrekkingen tussen Hendrik V en de zuster van Welf is overigens niets bekend.[13]

De opmerking zet ons wel op het spoor een andere keizer die intieme relaties onderhield met een zekere C(h)uniza. Deze naam, een vleivorm van Kunigunde, komt voor bij het Luxemburgse gravenhuis en werd ook doorgegeven in de familie van de Welfen.

In zijn 382 bewaard gebleven oorkonden geeft Hendrik III eigenlijk nooit landgoederen aan vrouwen. De enige uitzonderingen waren zijn echtgenote Agnes en Cuniza. Deze vrouw moet voor Hendrik III van bijzondere betekenis zijn geweest en verschillende indicaties doen het vermoeden rijzen dat zij zelfs zijn geliefde was.

In april 1046 gaf Hendrik III haar een praedium (landgoed) en wel om drie redenen: “uit liefde en op voorspraak van onze geliefde echtgenote koningin Agnes en niet minder wegens haar frequente diensten” [14]. De voorspraak van de koningin en het servitium zijn gebruikelijk, maar de liefdesverklaring ob amorem was slechts voor enkele zeer getrouwen weggelegd[15].

Begin juli 1046, enkele maanden nadat Cuniza als dank voor haar frequente diensten dit landgoed had ontvangen en zich waarschijnlijk van het hof teruggetrokken om zich in haar nieuwe bezit te vestigen, deed Hendrik omvangrijke landschenkingen aan zijn wettige echtgenote Agnes met wie hij al tweeënhalf jaar getrouwd was. Dit is merkwaardig want dergelijke giften werden gewoonlijk kort na de huwelijksvoltrekking gedaan en daarna niet weer. Opvallend zijn ook de bewoordingen waarmee hij haar openlijk zijn liefde betuigde[16]. Het lijkt alsof hij pas nu werkelijk voor haar gekozen had, nadat hij zijn minnares had afgekocht.

Na 1048 trouwde Cuniza met Swigger, een militus (ridder) van Hendrik III[17]. Dit doet denken aan de praktijken van Hendrik IV van wie beweerd werd dat hij zijn afgedankte maîtresses, die veelal afkomstig waren uit de hoogste adel, stelselmatig met zijn ministerialen liet huwen.[18]

Voordat zij trouwde had zij echter al een zoon, Cuno. Deze was in 1057 dienstman van Hendrik IV en ontving van hem het leengoed dat hij onder Hendrik III bezeten had in de graafschap Malstad in eigendom.[19] Hij werd de stamvader van de graven van Hagen-Münzenberg, had een Salische naam en ook onder zijn nakomelingen kwamen de namen Cuno en Koenraad veelvuldig voor[20]. Was hij een natuurlijke zoon van Hendrik III? Het lijkt erop dat hij door Hendrik III tot de familie werd gerekend. In een charter uit 1056[21] wordt  gesproken van “onze bloedverwant heer Cuono”, die onder meer bezittingen blijkt te hebben in Bruchsal, het woud Luzhart in de Kraichgau, in de graafschap van graaf Wolfram[22], die hij aan Hendrik III heeft overgedragen, die ze vervolgens schonk aan de kerk van Speyer. Deze onbekende bloedverwant[23] kan identiek geweest zijn met de Cuno van Cuniza. De “tak” van Koenraad van Karinthië was al in 1039 met Koenraad de Jongere uitgestorven en van andere Cuno’s in de naaste familie van Hendrik III is niets bekend.

Cuno kreeg een bijzondere taak door na de dood van Hendrik III de opvoeding van Hendrik IV voor zijn rekening te nemen; hij behoorde als pedissequus iuvenis (kamenier en opvoeder) tot de trouwste metgezellen van de jonge koning. Hendrik IV was zozeer op hem gesteld, dat men er op rekende dat hij zijn leven voor hem zou wagen. In 1069 werd een aanslag op Cuno beraamd, waarbij het de bedoeling was dat Hendrik IV bij diens hulpgeroep naar buiten zou snellen om hem te redden, zodat zij beiden gedood zou kunnen worden. Het geval werd zeer hoog opgenomen en leidde dit tot de val van de Beierse hertog Otto van Nordheim.

Op 18 november 1057, ruim een jaar na de dood van Hendrik III, kreeg Cuniza, die deze keer in de oorkonde nadrukkelijk domna en mulier (echtgenote) werd genoemd, 10 hoeves in (Nieder-)Wölstedt[24] in eigendom, in de graafschap Malstedt waar Cuno ook al grondbezit gekregen had. Deze schenking, gedaan door keizerin Agnes, was ten behoeve van het zielenheil van Hendrik III, alsof bij wijze van boete hiermee een schuld of zonde van de keizer gecompenseerd moest worden.[25]

Een parallel hiermee is de schenking van drie koningshoeven door de jonge Hendrik IV, op voorspraak van keizerin Agnes, aan het stift St. Pölten, op 2 oktober 1058. Deze gift is opgedragen aan het zielenheil van zijn overleden kindermeisje Imme dat in St. Pölten voor de drempel van het Stift begraven lag en tegelijkertijd aan het zielenheil van zijn geliefde vader wijlen keizer Hendrik III. Het zielenheil van de keizer en dat van het kindermeisje werden in één oorkonde genoemd, alsof zij bij elkaar hoorden[26]. Het begraven van Imme vóór de drempel van het Stift had ongetwijfeld een rituele betekenis, als teken van nederigheid en boete. Was zij een zondares en moest zij daarom met haar graf als deurmat dienen?

Een derde geval van deze soort is de schenking door Hendrik IV in het jaar 1067 van het landgoed Asing (Neder-Oostenrijk) aan de verder onbekende vrouw (mulier) Lantwich. Ook deze gift is speciaal opgedragen aan het zielenheil van de overleden Hendrik III.[27]

Cuniza, Imme en Lantwich waren drie vrouwen bij wie de nabestaanden van Hendrik III een schuld voor hem afkochten, door hen een geschenk te geven dat opgedragen was aan zijn zielenheil. Had hij bij hen gezondigd, waren zij door hem onteerd en moest dat weer worden goedgemaakt voordat zijn ziel rust kon vinden?

Waarschijnlijk werd de bastaardzoon van Hendrik III al geboren voor diens huwelijk met Gunhild. Hij die trouwde met de “zeer edele vrouw Mathilde”[28] en in 1056 al een gesetteld landheer was[29], zal waarschijnlijk niet na 1036 geboren zijn. Azela moet van dezelfde generatie als Cuno zijn geweest, aangezien haar derde zoon Johannes in 1063 geboren werd. Of Cuniza behalve van Cuno ook de moeder van Azela was, is niet aantoonbaar. De mogelijkheid echter dat Cuno eigenaar is geweest van de “Salische” plaats Bruchsal, die gelegen was in de graafschap van graaf Wolfram (Azela’s echtgenoot), brengt hen met elkaar in verband[30]. Opmerkelijk is ook dat de annalist van Speyer van haar bestaan geweten lijkt te hebben; hij kende immers haar naam, die gelijk luidde aan die van zowel de zuster van hertog Welf III als de zuster van hertog Welf V maar hij noemde haar abusievelijk de vrouw van Hendrik V in plaats van Hendrik III.

De annalen van Speyer maken bovendien mogelijk dat Cuniza, de moeder van Azela een kleindochter van een zekere graaf Siegfried was. Er staat: “de overgrootvader van bisschop Johannes was de stichter van de kerk van Sinsheim. Hij was er begraven door de kanunniken.” En: “Bisschop Johannes is begraven in Sinsheim … daar is ook zijn vader Wolfram begraven en graaf Siegfried…”  De naam Siegfried komt eveneens meermaals voor in het Luxemburgse huis. Ook de vader van keizerin Kunigunde heette Siegfried.

 

[1] Bresslau Jbb I, 6.

[2] Zielinski, H., 48.

[3] Grafen H., “Spuren der ältesten Speyerer Necrologüberlieferung. Ein verlorenes Totenbuch aus dem 11.Jahrhundert“ in: Frühmittelalterliche Studien. 19. Band 1985, 379-431.

[4] Lambertus is een Salische huisheilige.

[5] Ook de naam Siegfried kwam voor bij de graven van Luxemburg. Zo heette ook de vader van keizerin Kunigunde.

[6] Annales Spirenses, MGH SS 17, p. 82-83. “Iohannis episcopus, filius Wolframi comitis Arduenne, qui multos comitatus habebat, scilicent in Creychouwe et Enzeberch, et multas possesiones, qui genuit eum de Azela, sororis de Heinrici senioris. Cuius episcopi iohannis Spirensis frater fuit Ceizolfus comes, et Adelheidis comitissa fuit filia fratris sui, que habuit heinricum palatinum de Tuwingen, que comitissa prole caruit. De genere illorum venit kestenburc et Meystersel et Diethensheim ecclesie Spirensi. Heinricus senior contulit filio sororis sue episcopatum Spirensem dum puer esset. Iohannes episcopus Sunnisheim archidiaconus erat et spectabat ad Wormaciam. Et Iohannes episcopus cambivit cum episcopo Wormacienci et dedit sibi duas parrochias Bathinheim et neberouwe pro ecclesia sunnesheim. Sunnesheim ecclesia fundat erat a proavis dicti Iohannis episcopi et deposita erat per canonicos. Quos transtulit inde Spiram ad Sanctum Germanum et fecit ibi archidiaconatum. Et transtulit monachos de sancto Germano Sunnesheim, quo Dagobertus rex illic locaverat, et introduxit eciam cum eiis Sybergenses monachos et valde ditavit eam. Contulit spirensi ecclesie allodium suum Stheinwilre, et patronatum ibidem monasterio sancti lamperti quod restaravit. Preter hec multa contulit ecclesie spirensi, omnes fasallos suos milites contulit ei, rusticanam familiam contulit Sunnesheim; pro dilectione ipsius comitisse Adelheydis contulit comiciam suam in Enzesberch, sunnesheim et multa predia. Ddit eciam ecclesie spirensi multas possesiones. Construxit eciam abbaciam in Blabarra in Suevia. Iohannes episcopus prebendas duxit Spire, et cum eo et per eum heinricus senior ampliavit dotem ecclesie Spirensis. Postquam 16 annis rexit eclesiam Spirensem, mortuus est in scismate, quod erat inter Paschalem paem et Heinricum quartum avunculus ipsius. Sepultatus est Sunnesheim iuxta matrem Aelam et fratrem Ceyzolfum comituem. Sepultus est et ibi pater suus Wolframus comes, et Sifridus comes et sancta adelheidis comitissa et tota generacio de regibus que potuit transferri Spiram. Post mortem Iohannis episcopi , adelheydis comitissa Romam ivit pro absolutione ipsius, quia steterat cum avunculo suo in scismate. Et donavit multa dona Pascali pape, qui absolvit eam. Iohannes episcopus virgo fuit et sanctus. Et magnus planctus factus est de morte ipsius tam a principibusque a clero et omni populo. Valde ccupatus fuit in restaurandis ecclesiis et distribuendis elemosinis. Omnia que habuit ex morte parentum suorum, contulit. Deo et ecclessiis. Pulcher fuit homo, mansuetus et verecundus, et noctibus agebat vigilias et circuivit oratoria spire. Valde dilexit pauperes. Mortuus est anno etatis sue 41. »

[7] Jbb IV, 291, n. 34: …indessen irrt der Verfasser der Annales in seinen Angaben über die Salier – Heinrich IV. habe als puer jetzt 1090 das Bisthum an Johannes ertheilt, Heinrich V. habe drei Töchter gehabt – so sehr, dass auf die Einschiebung der Mutter Azela als Tochter Heinrichs III. Gewiss gar kein Gewicht zu legen ist.

[8] Gestorven vóór 1141.

[9] Gestorven in 1153. Zij hadden twee zonen, Rainald en Gionata.

[10]Qui tres filias habuit, quas desponsavit vivens, unam duci Saxonie Willemo, alteram Cunrado duci orientalis Francie de Rotinburc, terciam Friderico duci Suevie monucolo de Sthouf.”  Met Willelmo wordt waarschijnlijk Wilhelm graaf van Ballenstedt, paltsgraaf bij Rhein en graaf van Weimar-Orlamünde  (1112-1140) bedoeld, die een echtgenote had waarvan niet meer bekend is dan dat zij de “Salische” naam Adelheid droeg. Frederik I van Staufen was getrouwd met een dochter van Hendrik IV, Agnes van Waiblingen. En een zoon van deze Agnes, koning Koenraad III,  werd hertog van Rothenburg.

[11] Chronica Mon. Casinensis, 1117. Lexikon des Mittelalters, Bnd. VIII, p. 1122; Meyer von Knonau, G, Jbb VII, p. 33.

[12] Kunizza († 6 maart 1120) was getrouwd met Friedrich Rocho, graaf van Dießen.

[13] Ipse autem imperator habebat in uxorem sororem Welfonis ducis Noricum. Welf de Dikke was een zoon  van Welf IV (1030/40 – 1101), oftewel hertog Welf I van Beieren. Deze was de enige zoon van markgraaf Albert Azzo II van Este en Kunigunde (Chuniza)  van Altdorf, dochter van graaf Welf II, zuster van hertog Welf III van Karinthië en tevens een nicht van de uit Luxemburg afkomstige keizerin Kunigunde, wier grootmoeder Cunice genoemd werd. Hij had een dochter met de naam Kunizza († 6 maart 1120), die trouwde met Friedrich Rocho, graaf van Dießen.

[14] D.HIII 151, Nijmegen, april 1046, …qualiter nos ob amorem ac peticionem Agnestis reginae nostrae contectalis dilectae nec non de eius frequens servitium…

[15] Het landgoed dat Cuniza kreeg, Vanaha of Venne een “Wüstung”bij Gudensberg in Hessen, lag in de graafschap van een andere “intieme getrouwe” van Hendrik III, zijn banierdrager graaf Werner II.

[16] D HIII 160, 161, 162.

[17] Swigger kreeg in 1048 op een andere plaats eveneens landgoederen ten geschenke, hij was toen nog niet met Cuniza getrouwd.Haar naam werd later ingevoegd.  Hun oorkonden behoren tot hetzelfde familiearchief. Zie het commentaar bij D.HIII 151. in: Die Urkunden Heinrichs III.

[18] Volgens beschuldigingen door Lampert van Hersfeld en in Bruno, Das Buch vom Sächsischen Krieg.

[19] D.HIV 21. Corvey, 28 mei 1057,

[20] Toelichting bij D. HIV 21.

[21] D.HIII 370: ” nostre proprietatis curtem Bruochsele dictam cum foresto ad eandem curtem pertinente Luzhart nominato in pago Cragowe et in comitatu Wolframmi comitis sitam, quam nobis consanguineus noster dominus Cuono in proprium tradidit”.

[22] Wolfram, H., 46.

[23] Die Urkunden Heinrichs. III, p. 619: „Unbekannter Verwandter Henrichs III“.

[24] “In de graafschap Malstadt van graaf Bertold”, bij Friedberg in Oberhessen.

[25] D.HIV 30, “pro remedio animę cari genitoris nostri Heinrici tercii regis”. Op voorspraak van Agnes.

[26] D.HIV 41, “ob interventum atque petitionem Agnetis dilectissime genitricis nostre imperatricis auguste pro anima cari genitoris Heinrici imperatoris memorie felicis … et pro anima Imme nostre pedisseque ante ianuam eiusdem monasterii sepulte”.

[27] D.HIV 189. Regensburg, 1067.

[28] D HIV 137. Zij ontving een landgoed in Ohmen, Fischborn en Strassheim inde graafschap Malstat van graaf Bertold (Gemeinde Ockstadt bij Friedberg in Oberhessen.

[29] Cuno moet in 1057 al volwassen zijn geweest. In  D. H.IV 21. krijgt hij van Hendrik IV het leen ten geschenke dat hij onder Hendrik III al had, in (Mar-)köbel, Himbach en (Langen-) Bergheim in de graafschap Malstat van Bertold in Oberhessen..

[30] Later in de elfde eeuw komen we de combinatie van de namen Koenraad en Wolfram nog een keer tegen bij twee broers die nauwe betrekkingen hadden tot het hof, bisschop Koenraad van Utrecht (1076-1099), de opvoeder van Hendrik V en diens broer abt Wolfram (1078-1109) van het Hendrik IV goedgezinde klooster Prüm bij Trier.

Geplaatst in Persoonlijkheid en uiterlijk, Uncategorized | Plaats een reactie

Hoe zag hij eruit? Poging tot reconstructie

Het is een algemeen aanvaard vooroordeel dat er in de elfde eeuw nog geen individuele, natuurgetrouwe portretten gemaakt werden. “Alle derartige Portäts jener Zeit zeigten nie den Menschen, sondern immer den Herrscher. Seine ideale Grösse galt es darzustellen; für Individualität war kein Platz.“[1]

“… zeitgenössiche Darstellungen zeigen Heinrich IV eher in seinem Herrsteramt denn als Individuum… Wie sah Heinrich IV. Aus? Wir wissen es nicht, denn es gibt keine zeigenössiche Bilder von ihm…“[2]

„Individuelle bildliche Darstellungen, die einen Zugang zu seiner Persönlichkeit eröffnen könnten, sind für diese Zeit nicht zu erwarten. Heinrich  wird beschrieben als ‚von schönen Körper und von hohem Wuchs’.“ [3]

Dat Hendrik IV corpore formosus, statura procerus was,[4] wordt bevestigd door het antropologisch onderzoek dat plaatsvond na de opening van de graven van de Saliërs in 1901. Van Hendrik IV en Hendrik V kon worden vastgesteld dat zij meer dan 1.80 m lang en atletisch gebouwd waren. De schedel van Hendrik IV, die goed bewaard was gebleven, werd nauwkeurig opgemeten. Aan de hand van die metingen probeerde men zijn gelaatstrekken te reconstrueren. Hij moest er derhalve als volgt uitgezien hebben.[5]

 

  • De schedel was ovaal, het voorhoofd was betrekkelijk laag en vloeiend, de wenkbrauwbogen staken wat naar voren.
  • De oogkassen waren opvallend groot.
  • De neus was lang, smal en vrijwel recht.
  • Op de neusrug bevond zich een kleine kromming.
  • De onderkaak had een karakteristieke vorm, kort en breed, met een kleine ronde, vooruitstekende kin van geringe hoogte.

Medewerkers van het Historisches Museum der Pfalz Speyer hebben met behulp van computer-animaties aan de hand van foto’s van de schedel van Hendrik IV getracht het gezicht van deze keizer in een plastische reconstructie zichtbaar te maken. Helaas hebben zij het achterwege gelaten deze reconstructie te vergelijken met eigentijdse afbeeldingen van Hendrik IV. Wanneer men echter de foto’s van de schedel van Hendrik IV die in 1901 gemaakt werden vergelijkt met eigentijdse portretten, valt een treffende gelijkenis op. In het onderstaande voorbeeld is de schedel vergeleken met het portret van de keizer in de Kaiserchronik van Ekkehard van Aura[6] en de proporties van beide hoofden bleken exact met elkaar overeen te stemmen. Alle individuele trekken die de schedel van Hendrik IV vertoont, de grote oogkassen, de lange smalle neus en de brede, naar voren springende  kaak, zijn ook afgebeeld in het portret in de Kaiserchronik, evenals de snor waarvan de haren nog werden aangetroffen op de schedel, die hier wat vervormd lijkt doordat de mond geopend is.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Het ronde gezicht van Hendrik IV met de snor, de vorm van de kin en de grote ogen is ook weergegeven op zijn zegel (boven).  Dezelfde kenmerken zien we opnieuw in het laatste “portret” van Hendrik IV bij zijn troonsafstand in 1106, hoewel de keizer hier na een periode van gevangenschap duidelijk vermagerd lijkt (onder)[7].

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

In de “Bijbel van Hendrik IV” (Italië, omstreeks 1075) zijn Job (boven) en koning Salomo (onder) afgebeeld met de gelaatstrekken van Hendrik IV zelf, nog jong en zonder baard. We zien de inmiddels bekende  kenmerken: opvallend grote ogen en een smalle neus, ronde wangen (met blosjes) en een relatief brede kaakpartij met een enigszins vooruitstekende kin.

[1] Wolfram, H., 130.

[2] Heinrich IV,Kaiser, Kämpfer, Gebannter. Historisches Museum der Pfalz Speyer (2006).

[3] Boshof, E., Die Salier, 189.

[4] Schramm, Die deutschen Kaiser, 115.

[5] Kubach, E.,  Der Dom zu Speyer. Textband 1060-1068.

[6] Cambridge, Corpus Christi College, Ms. 373, fol . 60r.

[7] Chroniek van Ekkehard van Aura.

Geplaatst in Persoonlijkheid en uiterlijk | Plaats een reactie

De vader der armen

Hendrik IV werd geboren op 11 november 1050, op St. Maartensdag. Martinus van Tours, die zijn mantel deelde met een arme, was dus zijn schutspatroon, zijn persoonlijke beschermheilige. Het behouden van de gunst van deze patroon moet een belangrijke drijfveer voor hem geweest zijn, wat niet alleen tot uiting kwam in de grootscheepse verbouwing van de aan St. Martinus gewijde domkerk van Mainz door Hendrik IV, maar ook in de maatregelen die hij nam om de positie van armen en verdrukten te verbeteren. Mildheid, barmhartigheid, het geven van aalmoezen behoorde traditioneel tot de christelijke plichten van een koning, maar Hendrik IV zou hierin veel verder gegaan zijn:

“Wenn aber das, was in der Vita berichtet wird, auch nur in etwa der Realitat entsprach, dann hat Heinrich IV. sich weit über diese Konvention hinaus persönlich den Armen zugewandt, indem er diese zu einem integralen Teil seines täglichen Lebens machte und sich persönlich um ihre Belange kümmerte. Er hätte damit einem Ideal entsprochen, wie es mehr als ein Jahrhundert später etwa Elisabeth von Thüringen (1207-1231) verwirklichte, die deshalb als Heilige vererhrt und auch kanonisiert wurde. Man steht bis heute ein wenig hilflos vor diesem Porträt, das den Herrscher, den seine gegner als „Monster“ (Tellenbach 1988) zichneten, zumindest indirekt als Heiligen darbietet. Niemand aber hat bisher die Konsequenz gezogen, diesen Aspekt zum Ausgangspunt für eine Persönlichkeitsschilderung Heinrichs IV. zu machen – und dies gewiss zu Recht. Es ist einfach zu unsicher, ob die Angaben über sein Verhältnis zu den Armen etwas mit Heinrichs konkreter Lebensführung zu tun haben.“ [1]

Dat het onzeker is of Hendrik IV zich werkelijk zo tegenover de armen gedragen heeft, valt niet te ontkennen. Strikt genomen valt er over zijn persoonlijke leven niets met zekerheid te zeggen. Een feit is echter dat de schrijver van de Vita niet de enige is die opmerkelijke dingen weet te berichten over Hendrik IV en zijn verhouding tot de behoeftigen.

Als we de auteur van het Carmen de bello saxico mogen geloven, was het verdedigen van de rechten der armen zelfs het uitgangspunt voor de “Saksenpolitiek” van Hendrik IV.

Op een bijeenkomst in Hoetensleben eind juni 1073, brachten de Saksische edelen vele aanklachten tegen Hendrik IV naar voren. Hij rechtvaardigde zich met de bewering dat hij de orde had hersteld en dat hij de armen datgene teruggegeven had waarvan de Saksische edelen hen met geweld hadden beroofd:

“Ich bringe in Ordnung, was ihr frommen Verdiensten zuwider ertrugt. Doch wogegen ihr Klage erhebt, ist weder Unrecht noch Gewalt. Eure Gesetze und euer Recht trachte ich nicht zu zerstören; was den Armen unter Anwendung von Gewalt geraubt, fordere ich zurück und erstatte es wieder; und davon gehe ich nicht ab, wenn Gott mir das Leben schenkt…“[2]

 

 

 

De anonieme auteur van de Vita Heinrici geeft een zevental voorbeelden van de maatregelen die door de keizer zouden zijn genomen om de armen en zieken te verzorgen.

– “Hij heeft jullie gespijzigd; hij heeft met zijn handen jullie gewassen, hij heeft jullie naaktheid bedekt.”

– “Niet voor zijn deur maar voor zijn tafel lag Lazarus, en hij verwachtte niet de broodkruimels maar de koninklijke lekkernijen.”

 

Dit element van het geven van koninklijke lekkernijen aan de armen zien we ook in de verhalen van William van Malmesbury over koning Hendrik. William beschrijft hoe aanhangers van de abt van Fulda een bloedbad aanrichtten tijdens een hofdag in Mainz. Dit verhaal is ook in een iets andere vorm overgeleverd door Lampert van Hersfeld, die het in Goslar in 1063 laat plaatsvinden. “toen de mis afgelopen was” vertelt William van Malmesbury, “werden de armen door herauten bijeengeroepen. Alle spijzen die voor hem en zijn hofhouding waren bereid schepte hij voor hen op om te gebruiken, zelf de bijgerechten erbij zettend, eigenhandig de tucht van de bedienden volstrekt volhoudend, zelf de resten van het eten opvegend.”[3]

 

– “Zelfs aan zijn eigen tafel schrok hij niet terug voor de etter en de stank van de zweren van de zieken, terwijl de dienaar aan tafel tegen degenen die stonken zijn neus vertrok of dichtstopte,”

 

De koning was niet bang voor poep. Aartsbisschop Adalbert van Hamburg-Bremen stierf op 16 maart 1072 na een lang ziekbed. Toen hij “wegens de onreinheid van zijn ziekte” (hij leed aan diarreeaanvallen) geen enkel bezoek wilde ontvangen, liet hij slechts één uitzondering toe: Hendrik IV. Vaak zat deze aan het bed van de bijna 70-jarige grijsaard, die zijn opvoeder en raadgever geweest was[4].

 

– “In zijn slaapvertrek lagen blinden, lammen en lijders aan verschillende ziekten; deze ontdeed hij zelf van hun schoeisel, legde hen neer, stond ’s nachts op om hen toe te dekken, schrok er zelfs niet voor terug degenen aan te raken van wie de ziekte tot bevuiling van het bed geleid had.”

 

Lijders aan de meest uiteenlopende ziekten bevolkten het slaapvertrek van de koning. Was dit misschien de reden waarom hij er op stond dat de “misgeboorte” Askarius onmiddellijk bij hem gebracht zou worden? Dat deze patiënt zeer belangrijk was voor de koning valt op te maken uit een brief die bisschop Günther van Bamberg in 1064 ontving van een vertrouweling. De jonge koning had er op gerekend dat de misvormde man door een gezant van de bisschop bij hem gebracht zou worden, maar zijn bevel was niet opgevolgd.

“Het is nodig dat u een betrouwbare gezant stuurt… die Askarius, uw lieveling, een natuurlijk monster, zonder twijfel naar de koning brengt. Want A. bracht hem niet naar het jongetje, maar de koninklijke ziel wordt geheel en al boos, omdat hij hem, wat u beloofd had, nog niet heeft. O mores, o tempora! Zoals de koning en de bisschop op een moment van gevaar over een misgeboorte in conflict raken.”[5]

Waarom was de koning er zo op gebrand dat deze “misgeboorte”, dit “natuurlijk monster” “zonder twijfel” bij hem gebracht werd? De gedachte aan hofnarren, dwergen en primitief middeleeuws (leed)vermaak dringt zich haast onvermijdelijk  op. Maar de werkelijkheid zou wel eens anders geweest kunnen zijn, als men bedenkt dat Hendrik IV zijn privé-vertrekken openstelde voor alle mogelijke soorten patiënten, met de bedoeling hen eigenhandig te kunnen verzorgen. Het is niet ondenkbaar dat Hendrik de “misgeboorte” eveneens een plek had gegund temidden van zijn “verzameling” zieken en gebrekkigen.

 

– “Op zijn reizen gingen de armen hem vooruit, begeleidden hem en volgden hem en ofschoon hij hun verzorging aan zijn vertrouwelingen overgedragen had, zorgde hij toch voor hen alsof zij aan niemand toevertrouwd waren”.

– “Maar ook overal, door al zijn hoven heen, had hij de ondersteuning van de armen bevolen en hij zelf wilde hun aantal en het aantal van de gestorvenen weten, zodat hij voor een overledene de dodenmis kon houden en op diens plaats iemand anders kon opnemen.”

 

Dat het aantal armen dat voor verzorging in aanmerking kwam nauwkeurig was vastgelegd, blijkt uit enkele oorkonden.  In D HIV 465 voor het klooster St. Maximin bij Trier wordt bepaald dat op de jaardag van de keizerkroning, de laatste dag van maart, de broeders de verplichting hadden om 300 armen te voeden en 12 van hen te kleden. Dit moest gebeuren zolang de keizer in leven was. Na zijn overlijden moest het gebruik op zijn sterfdag worden voortgezet.

Dienovereenkomstig werd in D HIV 471 voor het klooster Prüm bepaald dat op de dag van zijn troonbestijging (17 juli) en op de dag van zijn keizerskroning missen, gebeden en maaltijden gehouden werden door de broeders en dat 50 armen moesten worden gevoed, dit gold eveneens op de kroningsdag van zijn zoon Hendrik V (6 januari, Epiphanie). Na zijn dood zou zijn zoon ervoor zorgdragen dat op alle jaardagen missen, gebeden en maaltijden door de broeders zouden worden gehouden voor de ziel van de keizer en 300 armen zouden worden gevoed en 30 gekleed.

Dan is er nog de oorkonde D HIV 475 voor Speyer waarin bepaald wordt dat op de sterfdag van grootmoeder keizerin Gisela de broeders bijeenkomen in de grote kerk waar zij begraven ligt om een vesper en vigiliën te houden en voor een maaltijd in het refectorium en dat bovendien op die dag 20 armen zullen worden gevoed. Waarom juist de sterfdag van keizerin Gisela als gelegenheid om de armen te voeden werd gebruikt en niet die van een van de andere verwanten van Hendrik IV wordt niet uitgelegd, maar een verklaring zou kunnen zijn dat Gisela net als haar kleinzoon op 11 november geboren was en dus ook Martinus van Tours als beschermheilige had.

Toen Hendrik IV in 1111, vijf jaar na zijn dood, eindelijk zijn laatste rustplaats kreeg in het koor van de dom te Speyer, was dit voor zijn zoon Hendrik V een aanleiding om de burgers van Speyer van verschillende knellende belastingen te bevrijden. Deze privileges zouden echter alleen geldig zijn als de burgers “elk jaar voor de herdenking van onze vader plechtig in godsdiensten bijeenkomen, kaarsen in de handen houden en vlijtig een brood uit elk huis als aalmoes schenken en aan de armen doen toekomen”.  Hiermee meende Hendrik V in de geest van zijn vader handelen.

 

 

Verder zien we in de oorkonden van Hendrik IV een toenemende tendens om voor getrouwen van nederige afkomst dodenmissen te bekostigen. Dit was een nieuwe ontwikkeling. Reeds als 8-jarige deed hij in een ongewone oorkonde een schenking aan het stift St. Pölten, ten behoeve van het zielenheil van zijn kindermeisje (pedisssequa) Imma, die daar voor de poort van het stift begraven lag. Imma zou qua afkomst een vrijgelatene[6] geweest zijn.[7]

Een ander voorbeeld was zijn goede vriend Liutpold van Meersburg. Zo deed Hendrik op 30 juli 1071 aan de abdij Hersfeld een aanzienlijke schenking voor het onderhouden van een jaarlijkse gedenkdienst voor deze “zeer getrouwe en hem zeer dierbare ridder”[8], die bij een jachtongeval om het leven gekomen was.[9] De plechtige begrafenis van deze ministeriaal in de kloosterkerk van Hersfeld baarde veel opzien, temeer daar bij het uitvaardigen van de oorkonde ook nog eens de broers van Liutpold, Arnold en Berthold als interveniënt optraden en daarbij omschreven werden als familiares, intieme raadgevers van de koning. Het toenemende aantal koninklijke gedenkvieringen voor milites duidt op de groeiende betekenis van deze beroepsgroep (en de afnemende betekenis van de hoge adel) aan het hof van de koning. [10]

Dat de armenzorg van Hendrik IV systematisch georganiseerd werd als een soort rampenplan in tijden van nood blijkt uit het volgende thema:

– “Wanneer de onvruchtbaarheid van een jaar een hongersnood in het vooruitzicht stelde, nam hij de verzorging van vele duizenden op zich, waarlijk indachtig het woord van de Heer, dat voorschrijft: ‘Maak uw vrienden uit de Mammon der ongerechtigheid, opdat, wanneer u gestorven zijd,  zij u in de eeuwige hutten opnemen’. “

Dit aspect wordt bevestigd door Sextus Amarcius, die ook zegt dat de armenzorg van Hendrik IV voortreffelijk gepland was.

„Hendrik de derde scepterdrager van de burcht van Rome[11] zei: ‘Breek je brood, dat beveelt God, voor de hongerenden en bedek de naakten.’ Wonderlijk heeft hij die vroomheid voortgezet, vasthoudend aan het behagen van God en het wegnemen van schulden, in de tijd toen een wrede hongersnood vele burgers van de wereld roofde en duizend lijken neerwierp, herstelde hij het moreel van de geringen en ontelbare ernstig verzwakten vaderlijk door voortreffelijke organisatie; vervolgens wordt gezegd dat hen met talloze munten voor dagrantsoen onderhield tot dat zwarte jaar eindelijk voorbij was”.[12]

 

 

Vervolgens benadrukt de Vita-schrijver nog zeven keer hoe groot het gemis is, na de dood van de keizer.

 

–  Wie zal aan hen (de armen) deze uit mensenliefde gegroeide zorg besteden?

–  Wie zal de vraag stellen, waar een zieke ligt, of wat hij aan voedsel begeert?

– Op wie zullen voortaan deze plichten van medelijden rusten, welke keizer Hendrik op zich genomen heeft?

– O, die man, uitmuntend door het lof der vroomheid en der deemoed!

– De wereld heeft hij, de armen hebben hem bevolen.

– De wereld heeft hem, hij heeft de armen gediend.

–  Hij heeft dit niet om de eer gedaan, maar door de geschiktheid van zijn aanleg. Wie anders dan God alleen kan weten wat hij doorgemaakt heeft? “

 

 

 

 

 

[1] Althoff, G., “Die letzten Salier im urteil ihrer Zeitgenossen“, 84.

[2] Landgraf, W., 128.,  Carmen de bello Saxico.

[3] Willelmi Gestis Regum Angl. Lib II, c. 192, over het bloedbad dat door aanhangers van het klooster Fulda tijdens een mis werd veroorzaakt.

[4] Landgraf, W., 114.

[5] Schramm, P.E., Denkmale, 73, n. 419.

[6] D. HIV 39.

[7] D. HIV 41, Ybbs, 2 oktober 1058. “Verunechtet, gedeeltelijk vervalst”.

[8] D. HIV 243.

[9] – wat misschien voor Hendrik IV in psychologisch opzicht nog extra pijnlijk geweest kan zijn omdat hij zijn vader op dezelfde manier verloren had.

[10] Boshof, E., Die Salier.188.

[11] Hendrik IV, volgens Romeinse telling de derde keizer met die naam.

[12] Sextus Amarcius, Sermones, III, v. 141-150.

Geplaatst in Verdediging van Hendrik IV | Plaats een reactie

Hendrik IV en zijn zusters

Tot de zwaarste misdrijven waarvan Hendrik IV beschuldigd werd, behoorde de verkrachting van zijn bloedeigen zuster, de abdis Adelheid van het klooster Quedlinburg, een bewering die ook door moderne lezers nog als schokkend ervaren wordt, lange tijd als vijandelijke propaganda bestempeld is, maar onlangs door Gerd Althoff opnieuw voor geloofwaardig gehouden werd omdat de beschuldiging deel uitgemaakt zou hebben van de aanklacht van de Saksen tegen Hendrik IV[1]. De bron is Bruno’s De bello Saxonico. In hoofdstuk 9 schrijft Bruno: “Alleen dit wil ik er nog aan toevoegen, wat de rechtvaardige rechter niet zonder straf moge laten, de ontering die hij zijn zuster toebracht, terwijl hij haar met zijn handen neergedrukt hield zolang als een ander op zijn bevel gedwongen in aanwezigheid van de broer met haar geslachtelijke omgang had. Het hielp haar niet dat zij de dochter van een keizer, dat zij zijn enige zuster van beide ouders was[2], dat zij door de heilige sluier met Christus verloofd was ”.[3]

Bruno vertelt niet hoe hij aan deze intieme informatie gekomen is, noch wat Hendrik IV ertoe bracht zijn zuster op deze wijze te onteren. In het aansluitende hoofdstuk 10 onthult hij echter wat zijn Bijbelse inspiratiebron is door de namen Berseba en Urias te noemen[4]. We begrijpen nu dat hij zijn stof ontleend heeft aan II Samuël 11 en 12 waar koning David overspel pleegt met Berseba, de vrouw van Urias, onmiddellijk gevolgd door II Samuël 13, waarin Absalom, een zoon van koning David zijn broer Amnon ertoe aanzet incest te bedrijven met hun zuster Tamar. Hendrik IV in het bijbelse rolmodel van Absalom – de boodschap is duidelijk, deze koning deugt niet en zal nog eens lelijk aan zijn einde komen (Absalom werd gedood toen hij met zijn lange haar in de struiken bleef hangen.

Ook Lampert van Hersfeld suggereert dat Hendrik IV zijn zuster Adelheid iets heeft aangedaan, maar hij noemt geen bijzonderheden. Hij spreekt van de “ernstige zaken” (“graves causas”) waarmee de koning zijn beste vrienden, zijn echtgenote, zijn zuster de abdis van Quedlinburg en andere personen die nauw met hem verbonden waren zou hebben benadeeld.

Uit andere bronnen blijkt niets van een conflict tussen Hendrik en deze zuster. Integendeel, men kon hen met enige regelmaat gezamenlijk zien optreden.

Op 26 maart 1060 vierde Hendrik Pasen in Halberstadt, in gezelschap van zijn moeder, zijn verloofde Bertha en zijn zusters, waaronder Adelheid.

Op 5 maart 1062 is Adelheid interveniënt in een oorkonde van Hendrik IV voor abt Folkmar te Nienburg aan de Saale.

Op 9 maart 1062 interveniëert Adelheid te Goslar in een oorkonde van haar broer voor bisschop Hezilo van Hildesheim.

Met Pinkstern 1063 wordt zij door bisschop Burckhard van Halberstadt en abt Siegfried tot abdis gewijd. Zij interveniëert in een oorkonde van Hendrik IV voor abdis Liutmuth van Berge.

Op 12 april 1069 viert Hendrik IV Pasen bij zijn zuster in Quedlinburg.

Op 12 juni 1071 viert Hendrik IV Pinksteren in Halberstadt en woont de inwijding van de domkerk bij in aanwezigheid van zes bisschoppen, hertog Ordulf, Bertha en zijn zuster Adelheid.

Vervolgens zien we Hendrik lange tijd niet meer in Quedlinburg, als gevolg van de Saksenoorlog, Canossa en de keizerkroning te Rome in 1084 met opnieuw een langdurig verblijf in Italië.

Als hij terug is in het rijk brengt Hendrik IV opnieuw een bezoek aan zijn zuster. Op 14 augustus 1088 wordt Quedlinburg belegerd door een vijand van de keizer, markgraaf Ekbert II van Meissen. Hendrik IV heeft hier zijn tweede echtgenote Eupraxia (Praxedis), die als koningin de naam Adelheid krijgt, ondergebracht bij zijn gelijknamige zuster.

In 1090 wordt markgraaf Ekbert II, een fervent tegenstander van Hendrik IV, gedood in een molen aan de noordrand van de Harz. De moordenaars zouden zijn gestuurd door abdis Adelheid, waarmee zij  – als dit waar is – haar broer een grote dienst bewijst Adelheid overlijdt op 11 januari 1095.

De tegenstanders van Hendrik IV vermengden fantasie en fictie, volgens de auteur van de Vita Heinrici.

Er bestaat nog een ander verhaal, waarin “de enige kloosterlijke zuster” van de keizer betrapt wordt op het hebben van een seksuele relatie. De keizer reageert op ongewone wijze. Niet dat hij zijn zuster in een houdgreep neemt tijdens de daad, zoals bij Bruno, maar het is toch wel ongebruikelijk dat hij haar, die een kloosterlijke gelofte van kuisheid gebroken heeft, een abdij schenkt en dat hij haar minnaar tot bisschop benoemt, in plaats van hen beiden te bestraffen. De legende illustreert dat de seksuele moraal van de keizer afweek van de opvattingen over het celibaat van de hervormingsgezinde geestelijkheid onder leiding van Gregorius VII. Onkuise geestelijken worden beloond.

 

“Zijn enige kloosterlijke zuster mocht hij zo graag, dat hij het niet kon verdragen wanneer ze van zijn zijde week, maar altijd moest zij met hem zijn eetkamer gebruiken. Toen hij dus in een winter die door sneeuw en rijp grimmig ruig was, lange tijd op een plaats vastgehouden werd, hield de hofgeestelijke van het huisgezin met het meisje gedurende vele nachten in zijn slaapkamer onafgebroken nachtwaken en hoezeer zij elkaar ook in menig opzicht de rug toekeerden, iemand bemerkte de liederlijkheid omdat het moeilijk was de misdaad niet te verraden door gezicht of gebaar; en reeds werd de zaak door het volk druk besproken, alleen de keizer wist het niet en durfde te geloven dat zijn zuster kuis was. Maar toen zij op een nacht van de liefde genoten met omarmingen en de liefkozingen langer uitrekten, verlicht door de maan, en zie, de hele aarde was met sneeuw bedekt, toen vreesde de geestelijke dat hij door zijn voetsporen in de sneeuw betrapt zou worden en overtuigde zijn vriendin dat hij op haar rug aan die moeilijkheden zou kunnen ontsnappen. Zij weigerde de schaamteloosheid niet mits hij de schaamte zou ontwijken, tilde de vrijer op haar rug en droeg hem uit het hof. En toen de keizer toevallig opstond om te wateren en door het venster van het achterste kamertje keek, zag hij de geestelijke rijden; bij het eerste gezicht schrok hij, maar toen hij beter keek verstomde hij van schaamte en verontwaardiging. Terwijl hij aarzelde of hij het vergrijp ongestraft moest laten of eervol logenstraffen, deed zich de gelegenheid voor dat hij een vacant bisdom aan de geestelijke kon geven, deze gouden woorden sprekend: “ Neem dit bisdom,” zei hij,“en kijk niet langer naar een onberijdbare vrouw” Zijn zuster gaf hij een abdij met de woorden: “Wees abdis, en niet langer het paard van een vaderlijke geestelijke.” Verward deden ze een ernstige gelofte die ze werkelijk meenden en verlieten de schanddaad omdat ze geloofden dat hun heer goddelijk geïnspireerd was.’[5]

 

[1] Alhoff, G., Heinrich IV, 101.

[2] Dit is onjuist, Hendrik IV heeft vier zusters gehad, Mathilde, Gisela, Adelheid en Judith.

[3] Althoff, G., 99.

[4] Bruno, Cap 10: „Sed quia nefanda stupra nefandina genera solent homicidia, sicut ille non unam Berseba libidinosus stupravit, ita non unam Uriam crudelis interfecit.“

[5] William van  Malmesbury, c. 190: De sorore imperatoris et clerico illam diligente. Praeterea crebro tumultibus regni expeditus, cum se communioni et hilaritati dedisset, ioci plenus, ut sat erit duobus probare exemplis. Sororem sanctimonialem unice diligebat, ut suo eam lateri deesse non pateretur, sed semper triclinium eius suo coniungeret. Dum igitur, quadam hyeme, quae nivibus et pruinis aspere inhorruerat, uno diu loco detineretur, clericus quidam curialis, familiarior iusto puellae effectus, crebro nocturnas in cubiculo eius protelabat vigilias, et quamlibet multimodis tergiversationibus nequitiam palliaret, advertit illud aliquis, quod difficile sit crimen non prodere vultu vel gestu; et iam vulgo rem ventilante, solus nesciebat imperator et sororem suam pudicam credere audebat. Sed cum quadam nocte cupitis fruerentur amplexibus et diutius se voluptas protenderet, illuxit mane, et ecce omnem terram nix operuerat; tum clericus, qui se deprehendendum per vestigia in nive timeret, persuadet amicae suae, ut dorso eius impositus angustias illas evaderet. Illa non refutans impudentiam, dummodo vitaret verecundiam, levat tergo amasium et extra curiuam effert. Et forte tum imperator minctum surrexerat, et per fenestram coenaculi despiciens vidit clericum equitantem; primo quidem visu hebetatus, sed re diligentius explorata, pudore et indignatione obmutuit. Interea haesitanti, utrum peccatum impunitum dimitteret vel peccantes honeste redargueret, obvenit occasio, ut episcopatum vacantem daret clerico, haec verbo auribus insusurrans: Accipe, inquit, episcopatum, et vide ne ulterius inequites mulierem. Item dans abbatiam sanctimonialium germanae: Esto, ait,abbatissa, nec ultra patiaris clericum equitem. Confusi illi, qui tam gravi dito se sentirent lapidatos, desiverunt a flagitio, quod divinitus inspiratum putabant domino.

 

 

Geplaatst in Beschuldigingen tegen Hendrik IV | Plaats een reactie

Scènes uit een huwelijk

 

“Over de echtscheiding van koningin Praxedis en koning Hendrik”[1]

 

 

Grootvorst Vsevolod I (1030-1093) regeerde het Rijk van Kiev van 1076 tot aan zijn dood. Hij was de vierde en favoriete zoon van Jaroslav I de Wijze en Ingigerd Olafsdottir en hij stond bekend als een geleerd man, die vijf talen vloeiend beheerste. Nadat zijn Byzantijnse echtgenote in 1067 overleden was, trouwde Vsevolod met Anna, een prinses uit het Kypchak-volk. De Kypchaks vormden een confederatie van nomadische krijgers van Turkssprekende origine, die in yurts  (verplaatsbare tenten) leefden en rondtrokken in centraal Azië, ongeveer zoals in the film “The Story of the Weeping Camel”.

Uit het huwelijk werd een zoon geboren, die verdronk in de slag bij de rivier de Stugna en twee dochters, waarvan er één non werd. De ander, Praxedis (dit was de naam van een heilige, Eupraxia in het Grieks), trouwde met Hendrik I de Lange, markgraaf van het Saksische graafschap Stade. Een oom van Praxedis, de broer van haar vader, was eerder al in het huwelijk getreden met de Saksische gravin Oda van Elsthorp (een kleindochter van een van de halfbroers van keizer Hendrik III). Misschien was het huwelijk van Praxedis met de graaf van Stade via deze familiaire contacten gearrangeerd. De prinses uit het oosten baarde veel opzien in Saksen. Zij arriveerde met een heuse kamelenkaravaan die beladen was met de kostbaarste schatten uit de Oriënt.

In 1087 werd Praxedis weduwe en Hendrik IV werd weduwnaar. Voordat zij in augustus 1089 met elkaar trouwden, woonde Praxedis enige tijd in het klooster Quedlinburg, dat bestierd werd door abdis Adelheid, de oudere zuster van de keizer. Misschien werden zij hier aan elkaar voorgesteld. Misschien was het liefde op het eerste gezicht. Met enige fantasie kan men zich voorstellen dat de melange van Tartaars, Viking en Aziatisch bloed bij Praxedis een speciale exotische schoonheid had opgeleverd. Hendrik IV verlangde al vanaf zijn jeugd naar een romantisch huwelijk. Hij had immers geprobeerd van Bertha te scheiden “om voor hen beiden de weg naar een ander, gelukkiger huwelijk vrij te maken”[2]. En –  misschien  –  dacht hij nu op 38-jarige leeftijd het geluk gevonden te hebben bij deze nog geen 20-jarige groene weduwe.

In een recente  biografie van Hendrik IV door Gerd Althoff wordt in voorzichtige bewoordingen het vermoeden geuit dat Praxedis mogelijk als gijzelaar diende om de vrede met de Saksen te waarborgen. Dit zou dan de reden geweest zijn waarom Hendrik IV haar slecht behandeld zou hebben nadat de Saksen de vrede hadden geschonden[3]. Hoewel het inderdaad in de middeleeuwen niet ongebruikelijk was om met de weduwe van een overwonnen vijand te trouwen en hoewel een politiek huwelijk in het belang van de stabiliteit was, blijft de vraag wat de aanwezigheid van Praxedis tot de vrede met de Saksen had kunnen bijdragen. Zij behoorde als Russische prinses niet tot de Saksische adel en was na een kortstondig en kinderloos huwelijk ook niet diep geworteld in het hertogdom. Voor de Saksen was haar betekenis na het overlijden van de markgraaf voorbij en een normale gang van zaken zou geweest zijn dat zij naar haar vaderland terugkeerde. De Annalen van Dissibodenberg[4] zeggen bovendien dat Hendrik haar aanvankelijk had liefgehad, wat ook niet voor strategische overwegingen bij het huwelijk spreekt.

Praxedis, die bij haar kroning tot koningin de naam van Hendriks zuster Adelheid aannam, werd nooit deelgenoot in de regering zoals haar voorgangsters dat geweest waren en zij fungeerde ook niet als voorspreker in de oorkonden van de keizer. Voelde zij zich achtergesteld? Stelde zij teleur? Misschien was zij onvoldoende opgeleid of wilde Hendrik IV zich domweg niet meer laten beraden door een vrouw, zoals paus Gregorius VII dat wel regelmatig deed. De Ottoonse keizerinnen hadden van oudsher beter onderwijs genoten dan hun krijgshaftige mannen. Samen met de priesters bezaten zij een monopolie op geletterdheid. Vanaf de tijd van Hendrik III nam het lekenonderwijs aan adellijke mannen toe. Deze begonnen nu hun achterstand in te halen. Over Hendrik IV wordt door de schrijver van zijn Vita  dan ook met trots bericht dat hij alle brieven en oorkonden zelf kon lezen en begrijpen. Hij was dus niet afhankelijk van een echtgenote, zoals bijvoorbeeld Koenraad II dit nog wel in sterke mate geweest was.

In de loop van het jaar 1093 raakte Hendrik IV gebrouilleerd met zijn tweede vrouw: ”Koning Hendrik begon een haat te ontwikkelen tegen koningin Adelheid, die hij tot zijn echtgenote gemaakt had, zodat zijn haat groter werd dan zijn liefde, terwijl hij haar eerst had liefgehad. Want hij liet haar bewaken en nam afstand van haar opdat zeer velen haar geweld konden aandoen.

De bewaking van Praxedis hield op de een of andere manier verband met de afvalligheid van zoon Koenraad: “Koenraad, de zoon van keizer Hendrik, rebelleerde tegen zijn vader om deze reden.”, Koenraad zou er toe aangezet zijn om met Praxedis het bed te delen. Door wie hij hiertoe aangespoord werd is echter niet vermeld. In ieder geval vond de Annalenschrijver van Dissibodenberg dat er sprake was van een dwaze situatie: “Want er wordt gezegd dat de volgende dwaasheid zich voordeed, dat zijn genoemde zoon aangespoord werd om bij haar binnen te treden”. De volgende stap is in dit verhaal is de ontkenning van Koenraad dat hij met haar naar bed geweest is. Zijn vader beledigt hem dan met de bewering dat hij niet zijn zoon is maar een bastaard: “Toen hij ontkende het bed van zijn vader bezoedeld te hebben, verzekerde de koning hem die aangespoord was, dat hij niet zijn zoon was, maar de zoon van een vreemdeling, te weten een edelman uit Zwaben wiens gezicht veel leek op dat van voornoemde Koenraad.”[5]

Het taalgebruik in de Annales Dissibodi , door Meyer von Knonau als “gezwets” ter zijde geschoven, is niet erg direct en eenduidig, maar tussen de regels door lezend krijgt men de indruk dat Hendrik IV zijn vrouw en zijn zoon verdacht van een liefdesrelatie. Toen Koenraad dit ontkende, beweerde Hendrik IV dat hij zijn zoon niet was en vergeleek hem met een edelman uit Zwaben, die zijn echte vader zou zijn. Bedoelde hij soms Rudolf van Zwaben, zijn trouweloze zwager en tegenkoning? Een mogelijke parallel zou kunnen zijn dat de zuster van de keizer door Rudolf geschaakt was[6], en zijn vrouw door Koenraad verleid. Zo vader, zo zoon. Een dergelijke vernietigende vergelijking impliceerde dat de keizer Koenraad niet langer beschouwde als zijn zoon en opvolger. Hij verklaarde hem tot bastaard. Koenraad had nu een begrijpelijk motief om te rebelleren.

Donizo, de auteur van de Vita Mathildis wist ook dat Hendrik IV redenen had om zijn vrouw van overspel te beschuldigen, maar hij wilde niet uitweiden over de details:

 

“Over de scheiding van koningin Praxedis van koning Hendrik en de opstand van de Langobarden.

Ook werd de koning geraakt door een slecht voorgevoel; zeer zeker van haar echtbreuk begon hij zijn echtgenote te verwerpen. Hierover moge het gedicht zwijgen opdat het hierdoor niet te zeer ontaard wordt. Maar over koningin Praxedis echter moge het gedicht verhalen. Zij vreesde haar echtgenoot zoals een lam de tanden van de wolf vreest. En terwijl ze beefde van angst zocht zij tersluiks het bolwerk van Mathilde op”.[7]

 

Gerd Althoff stoort zich – niet ten onrechte  –  aan het gemak waarmee historici tot nu toe beschuldigingen tegen Hendrik IV van elk waarheidsgehalte ontdaan hebben. Dit geldt in het bijzonder voor de berichten over de behandeling van Praxedis. “De zekerheid waarmee een “unbescholtene Frau” van schaamteloze leugens beschuldigd werd, onthult vooral de vooroordelen van de onderzoekers.” [8] Praxedis was echter geen vrouw van onbesproken gedrag. Zij werd verdacht van echtbreuk, was daarom onder bewaking gesteld en was zwanger – mogelijk van haar stiefzoon, die overgelopen was naar Mathilde van Canossa. Dit aspect wordt door Althoff buiten beschouwing gelaten. Na haar ontsnapping liet Hendrik IV haar, omdat zij een kind verwachtte, overal in Lombardije zoeken.[9]

Hoewel hij haar niet meer vertrouwde wijst niets erop dat Hendrik IV zijn overspelige echtgenote wilde verstoten. Integendeel, hij liet haar bewaken om te voorkomen dat zij wegliep. Hiermee maakte hij een tactische fout en speelde hij zijn vijanden ongewild een sterke troef in handen. Volgens het Romeins Recht, dat in de elfde eeuw ijverig bestudeerd en geciteerd werd, kon hij nu worden aangeklaagd als souteneur.

In de Leges Juliae, een serie wetten betreffende het huwelijk, die keizer Augustus tussen 18 en 17 v. Chr.  uitvaardigde, was namelijk bepaald dat: “A husband who does not at once dismiss his wife whom he has discovered committing adultery can be prosecuted as a pimp”.[10]

Aan het hof van Canossa was al in 1055 het Romeins huwelijksrecht ingezet om de eigen positie bij conflicten met het rijksgezag te verdedigen. Toen keizer Hendrik III markgravin Beatrix, de moeder van Mathilde, ter verantwoording riep omdat zij een huwelijk met Godfried van Lotharingen had gesloten zonder zijn toestemming, kreeg hij te horen dat zij “volgens de wetten van haar volk” in haar recht stond door een man te trouwen die in staat was haar bezittingen te verdedigen, “zoals in het Romeinse Rijk voor adellijke vrouwen” gebruikelijk was geweest.[11]. Koningin Praxedis legde – waarschijnlijk niet zonder aan het hof van Mathilde gedegen juridisch advies te hebben gekregen – een openbare verklaring af waarin zij mededeelde “niet te kunnen weten wie de vader van haar kind was”, omdat zij door haar keizerlijke gemaal “tot prostitutie gedwongen was.”[12]

Het vocabulaire van de aanklagers was ontleend aan klassieke Romeinse bronnen. In de brief van bisschop Herrand van Halberstadt[13] over “de zaak van koning Hendrik” wordt het woord lupanar gebruikt, dat verwijst naar de tijd van keizer Nero. Volgens Tacitus waren de lupanari veelal dames uit de adel, die toen onder de prostituees een aparte categorie vormden[14]. Deusdedit[15] noemt Hendrik IV letterlijk “keizer Nero” Ook in Donizo’s Vita Mathildis  wordt Hendrik IV met Nero vergeleken. Met zijn benoeming van tegenpaus Wibert heeft hij Petrus gekruisigd, Paulus onthoofd en de buik van zijn moeder doorstoken.[16] Om de ellende compleet te maken zou Hendrik IV het lichaam van zijn echtgenote ook nog misbruikt hebben voor heidense rituelen (impietatis cultum, een afgodsdienst of zwarte mis)[17]. Hiermee was haar overlopen naar de vijand “gemakkelijk te excuseren”.[18]

Veelzeggend genoeg werden de door Praxedis gedane beschuldigingen niet bevestigd door Koenraad. De geruchten die over zijn vader de ronde deden werden door hem “afgekraakt” (laniabat) en ondanks zijn eigen afvalligheid bleef hij zijn vader toch steeds als zijn heer en keizer betitelen. Alle afgevaardigden van het paleis van zijn vader behandelde hij vriendelijk en welwillend[19] .

Hendrik IV lijkt niet bereid of in staat geweest te zijn om in het openbaar op de aanklachten te reageren. Volgens de schrijver van zijn Vita nam hij het slechte nieuws uiterlijk onbewogen op, volgens een Gregoriaanse bron echter kon hij er slechts met moeite van worden weerhouden zich van het leven te beroven – waarmee hij maar weer eens bewees een tiran à la koning Herodes te zijn[20]. Een jaar lang verrichtte hij geen enkele regeringsdaad waarvan men weet[21].

Maar wanneer de nood het hoogst was, waren er altijd mensen die het voor hem opnamen. Vitale Falier Dodoni, de doge van Venetië onthaalde hem gastvrij in zijn paleis en stelde zoveel vertrouwen in de gevallen keizer dat hij hem vroeg peetvader te willen zijn van zijn dochtertje Enrica, dat bij de doop naar hem genoemd werd. Hendrik IV was in 1094 aanwezig bij de inwijding van de ongekend fraaie nieuwe basiliek San Marco en was getuige van de translatie van de relieken van de apostel Marcus. Hij kon misschien ook nog meegenieten van het carnaval, een feest dat voor het eerst genoemd werd in een oorkonde van deze doge[22], en er werden munten geslagen met zijn beeltenis en de leeuw van St. Marcus. Deze eerbewijzen tonen aan dat de keizer in Venetië blijkbaar nog niet als een verwerpelijke zondaar beschouwd werd. Hij toonde zijn dankbaarheid en schonk de lagunestad begin 1095 een reeks privileges[23]. Hierin benadrukte Hendrik IV hoe waardevol vriendschap is en dat hij “wijze en discrete bestuurders” altijd als zijn vrienden zal beschouwen en blijven verzorgen:

Quoniam stabilem christianorum principum caritatem operari plurima bona ad multorum utilitatem novimus et viros sapientes ac discretos rectores regnorum suorum notos habere semper et amicos curavimus, … ducem Ueneticorum … habere notum et amicum ad decus imperii nostri stabilitate perpetua decrevimus.[24]

 

Praxedis deed brieven uitgaan naar alle bisschoppen in het rijk en legde een verklaring af op een synode in Piacenza die plaatsvond op 1 maart 1095 en die door zeer veel hoogwaardigheidsbekleders werd bezocht. Het principe dat de Saksische edelen in 1074 gehanteerd hadden bij hun aanklachten te Gerstungen, miste ook hier zijn uitwerking niet. Hoe schokkender het bericht, des te groter is de kans dat het geloofd wordt. “Waar rook is, is vuur”[25].  Deemoedig aan de voeten van paus Urbanus II liggend smeekte zij om absolutie, vertelde over haar lijdensweg en wekte het medelijden van alle aanwezigen. Urbanus schonk haar vergiffenis[26] (Waarvoor eigenlijk? Was zij niet het onschuldige slachtoffer?). De “souteneur” en “satanist” Hendrik IV werd voor de zoveelste keer door een pauselijke banvloek getroffen en – met vele anderen, waaronder koning Filips I van Frankijk – geëxcommuniceerd[27].

Niemand weet wat er geworden is van het kind van Koenraad (?) en Praxedis. Misschien was dit de onbekende Salische bastaarddochter Bertha[28], die in 1117 na bemiddeling door Hendrik V trouwde met graaf Tolomeo II van Tusculum,[29]. Zij wordt gewoonlijk als natuurlijke dochter toegeschreven aan  Hendrik V[30].

Praxedis keerde terug naar haar familie die zich op dat moment in Hongarije bevond. Zij leefde tot 1109 als abdis van het grottenklooster te Kiev waar zij ook begraven is.

 

[1] Donizonis Vita Mathildis.

[2] Lampert van Hersfeld, Landgraf, W., 90.

[3] Althoff, G., Heinrich IV., 217 -219. Een directe aanleiding kan Althoff niet noemen.

[4] Dit is een klooster bij Rüdesheim aan de Rijn.

[5] Annales Disibodi 1093. MGH SS XVII, 14. »Cuonradus, fiius Henrici imperatoris, patri suo hac de causa rebellavit. Henricus rex Adelheidam reginam, quam duxerat uxorem, odio coepit  habere, ut majus esset odium quam dilecto, qua prius eam dilexerat. Nam in custodiam posuit eam, et concessit, ut plerique vim ei inferrent. Dicitur enim talem incidisse dementiam, ut praedictum filium suum hortaretur, quatinus ad eam ingrederetur. Quo recusante patris polluere stratum, eum adhortando rex non suum, sed peregrine filium esse affirmavit, cuiusdam videlicet principis de Suevia, cuius etiam faciem praedictus Cuonradus plurimum assimilavit.”

[6] De oudste zuster van Hendrik IV (Mathilde), werd in 1059 door Rudolf van Rheinfelden geschaakt, een drama met ernstige gevolgen. Het lukte hem zo het hertogdom Zwaben van keizerin Agnes af te persen, dat zij eigenlijk aan Berthold van Zähringen beloofd had  Berthold kwam in opstand, Mathilde overleed binnen een half jaar na het onvrijwillige huwelijk met Rudolf.

[7] Donizo, Vita Mathildis, Lib II, Cap. 8.“De separatione Praxedis reginae ab Heinrico rege, et de adversam Longobardiam. Augurium peius regi quoque contigit; eius flagitium prorsus sua caepit spernere coniunx, quod taceat metrum, nimis hinc ne degeneretur. Ast de regina Praxede tamen metra dicant. Sic timet ipsa virum, dentem velut agna lupinum, Cumque timore tremit, furtim munimina quaerit.”

[8] Heinrich IV, p. 273.

[9] Gerhoch van Reichersberg, De investicacione Antichristi,Lib I, c. 7 : « Instabat inter hec regia profectio de Cisalpinis partibus in Longobardiam destinata, quo et regine commeatus ab impereatore querebatur ; dumque illa pro causis quidem secretioribus, obtensa vero pregnantis ut erat ..”

[10] Matyszak, Ph., The Sons of Caesar. Imperial Rome’s first Dynasty, (Londen, 2006), p. 98.

[11] Lamberti Annales. A 1055 : « Beatrix quoque, dissimulato metu, imperatori obviam processit, et vix impetrata dicendi copia, ait, nihil se egisse praeterquam quod iure gentium sibi agere licuisset ; destitutam se priori marito, desolatae domui patronum paravisse, et ingenuam ingenuo sine fuco nefariae cuiusquam machinationis nupsisse ; nec aequi nec boni memorem eum esse, si id sibi pace eius non liceret, quod in imperio Romano feminis nobilibus semper licuisset ».  Giesebrecht, W., v., deel 3, 518.

[12] Gerhoch van Reichersberg, De investicacione Antichristi, Lib I, c. 7.: “…que a marito ita prostituta sit, ut scire non possit, ex pro prolem conceperit ». Bisschop Herrand van Halberstadt,Epistola de causa Heinrici regis (Libelli de lite, II, 288) : « uxorem propriam scelere omnibus seculis mundi inaudito lupanar facere.. ». Deusdedit, Libellus contra invasores et symoniacos, Lib II, c. 12 : « idem imperator eius (sc. Guiberti) Nero ab uxore, quam multis Deo teste prostituit… »

[13] Zie noot 9.

[14] Champlin, E., Nerone, (Rome – Bari, 2005) p. 199 : ‘Stando a Tacito, i lupanari su una delle spnde erano pieni di donne della nobilità, mentre sulle’altra prostitute nude si esibivano all’aperto ».

[15] Zie noot 9.

[16] Donizonis Vita Mathildis. Lib. II, 245-50.

[17] Gerhoch van Reichersberg: “impietatis cultum…in semetipsa per impudicos admissos experta est ».

[18] Deusdedit, Lib. II, c. 12: “..ut etiam apud inimicos fugam suam facillime excusaret”.

[19] M.v.K. IV, 394, n., „Die chronik des Michelsberger Mönchs“,(Ekkehard van Aura) 1099, MGH, SS VI, 211:.“…murmur, quod per totum Romanum imperium patris sui mores laniabat, quodque sibi offensae patris ac suae ab illo discessionis causa extitit, auribus propriis nunquam patiebatur inferri… semper illum dominum suum et caesarem vel imperatorem cognominans; universos a palatio patris adventantes sub appellatione conservorum, licet infimos, socili benevolentia tractans..“

[20] Bernoldi Chronicon, 1093: „Heinricus vero pater regis in quandam munitionem se contulit, ibique diu absque regia dignitate moratus, nimioque dolere affectus, se ipsum, ut aiunt, morti tradere voluit, sed a suis praeventus ad effectum pevenire non potuit ».

[21] M.v.K. 4, 427: Heinrich ist in der That dem Auge entrückt. Aus dem ganzen Jahre ist nichts bekannt, das mit Sicherheit in dessen Nahmen einzuordnen wäre.“

[22] Rendina, C., I Dogi, storia e segreti, (Rome, 1984), p.101.

[23]

[24] D HIV 442.

[25] Alhoff, G., 272: „Insofern gilt auf für die Vorwürfe auf sexuellem Gebiet die Unschuldsvermutung nur eingeschränkt. Ein solches Urteil huldigt allerdings in gewisser Weise dem Prinzip, das dort, wo Rauch ist, auch Feuer sei.“

[26] Althoff, G., 213, 214.

[27] Koning Philips van Frankrijk werd geëxcommuniceerd omdat hij van zijn vrouw gescheiden was en een nieuwe vrouw genomen had terwijl de vorige nog in leven was. M.v. K. Jbb 4, p.426.

[28] Gestorven vóór 1141.

[29] Gestorven in 1153. Zij hadden twee zonen, Rainald en Gionata.

[30] Volgens de annalenschrijver van Speyer, die de familie goed gekend moet hebben, had Hendrik V drie dochters. Zij worden echter  niet in andere bronnen vermeld, zodat de samensteller van de Jahrbücher Gerold Meyer von Knonau besloot hen naar het rijk der fabelen te verwijzen.

Geplaatst in Beschuldigingen tegen Hendrik IV | Plaats een reactie

Maria verering

Het pleegkind van Maria

Bij alle strijd met pausen en Gregorianen zou men bijna vergeten dat Hendrik IV er wel degelijk een persoonlijke religiositeit op na hield. In tegenstelling tot zijn vrome ouders gaf hij zich niet over aan boetedoeningen en ascese. Hij uitte zijn devotie vooral door te bidden en te zingen. Het psalterium (liedboek) van Hendrik IV was tot op de draad versleten, zodat bisschop Otto van Bamberg de keizer blij kon maken door het te repareren en van een nieuw band te voorzien.

In een legende over het bloedbad te Goslar, gevolgd door een wonder, wordt duidelijk gemaakt hoe Hendrik IV de Heilige Geest vindt: in prachtige muziek, door de armen te dienen en door nederig werk niet te schuwen.

Het volgende hoofdstuk speelt zich af in Mainz,[1] een van de belangrijkste steden in het rijk, waar keizer Hendrik te midden van de geestelijkheid Pinksteren viert. Kort voor de mis  worden de zitplaatsen in de kerk toegewezen en komt het tot een twist tussen de kameniers van de aartsbisschop en de abt van Fulda over de vraag wie aan de rechterzijde van de keizer mag zitten.[2] De discussie ontaardde in een handgemeen, waarbij het bloed in stromen vloeide.[3] Maar deze twist en de daarop gesloten vrede zijn slechts een aanleiding om betoverende muziek ten gehore te brengen. Je zult de Heilige Geest begrijpen door te zingen en niet slechts door te wenen. Het zijn twee manieren om God te naderen.

“Maar terstond hebben de bisschoppen toesnellend de vrede tussen de overgeblevenen die verkeerd zaten bepaald, de tempel gezuiverd, de feestelijke mis onder gejuich hervat. Toen waarlijk steeg een wonderbaarlijk gezongen sequentie op en bij  het vers: “Deze roemrijke dag hebt Gij vervaardigd”, werden de koren stil en een stem uit een wolk die opzij gleed klonk: “Deze oorlogszuchtige dag heb ik vervaardigd.” De keizer die zich zorgvuldig inspande bij zijn taken en door de onbuigzaamheid van de anderen de vreugde van de vijand begreep, zei: ”Jij, de uitvinder van al het kwaad en aanstichter tegelijk het een oorlogszuchtige, aanmatigende en smartelijke dag vervaardigd; maar wij bij de gratie van God, die deze glorieuze dag gemaakt heeft, geven gedienstig terug aan de armen”. En spoedig werd de sequentie hervat, door plechtig leedbeklag te doen heeft hij de genade van de Heilige Geest uitgenodigd, je zult begrijpen (door) hem te naderen, de een door te zingen, de ander in tranen,  allen geschokt tot in het hart.

Toen de mis afgelopen was werden de armen door herauten bijeengeroepen. Alle spijzen die voor hem en zijn hofhouding waren bereid schepte hij voor hen op om te gebruiken, zelf de bijgerechten erbij zettend, eigenhandig de tucht van de bedienden volstrekt volhoudend, zelf de resten van het eten opvegend.”

Wij zien hier dus een historische kern, de privileges van de abt van Fulda en het gevecht daarover, gecombineerd met een mirakel, het gesprek met de Duivel, het inzicht dat men ook zingend God kan benaderen en tot slot de keizer die “zich zorgvuldig inspant bij zijn taken” en die nederig de armen spijzigt. Hij wil het helemaal goed doen en vergeet zelfs niet de rommel op te ruimen.

 

In een oorkonde uit 1075[4] voor het domkapittel van Speyer noemt Hendrik IV Maria zijn bijzondere helpster:

Salutem a salute nobis bene rogamus, cum illam dominam, per quam salus venit, eciam nostris carnalibus honorando deum precibus pulsamus. Hec domina, per quam salus venit, mater est et virgo Maria, que dominam Iesum veram salute virgo genuit. Unde pro nostris necessitatibus ei carnalia nostra inpendimus, quam specialiter nobis fautricem affuisse sepe didicimus.

 

 

In de Beierse stad Augsburg, waar monniken uit Tegernsee in 1012 de Rijksabdij St. Ulrich en St. Afra hadden gesticht,  bleef de koning ondanks alle conflicten een graag geziene gast. Jarenlang vierde hij hier de Maria-feestdagen  Maria Lichtmis (2 februari)  en Maria Geboorte (8 september).

 

1067 Maria Lichtmis

1068 Maria Geboorte

1070 Maria Lichtmis

1074 Maria Lichtmis

1075 Maria Lichtmis

1077 Maria Geboorte[5]

 

Hoe keizer Hendrik IV de heilige bisschop Otto aan het hoofd stelde van de bouw van de

kathedraal van Speyer en over de wonderlijke wijsheid

 

In die tijd bouwde de glorieuze keizer Hendrik het grote gebouw van de bewonderenswaardige kerk van Speyer met koninklijke pracht verder uit ter ere van de eeuwige Maagd Maria, wier bijzondere pleegkind hij geweest was. Want de meesters van het werk, frauduleus en zonder vrees voor God handelend, besteedden grote hoeveelheden geld voor eigen gebruik, zodat het geld bij het werk verbazingwekkend ontbrak. Vandaar was de Augustus niet weinig door smart bewogen, na zijn vertrouwde raad ontboden en geconsulteerd te hebben, droeg hij zijn “oortje” [auriculario] Otto op meester van het totale werk te zijn. Verstandig handelend…. gaf hij het geld dat hij overhield eerlijk terug”.

“De keizer was gewend vaak te gaan bidden in de kerk van de heilige Maria, die zich op de Aventijnse heuvel bevindt. Hildebrand echter, die al zijn bezigheden zorgvuldig door verkenners liet onderzoeken, nam notitie van de plaats waar de keizer, of staande, of voorover liggend aan het bidden was; en hij beloofde iemand geld en stuurde hem naar binnen, opdat hij verborgen boven de balken in de kerk grote stenen verzamelde en zo neerlegde dat hij ze hoog boven het hoofd van de biddende keizer kon neerwerpen en hem zou raken. Toen de misdadige dienaar zich haastte dit te volvoeren en een grote zware steen boven de balken bevestigen wilde, trok het gewicht van de steen hem mee en deed de balken breken en door een Godsoordeel kwamen de steen en de ellendige man op de stenen vloer terecht en door de steen getroffen kwam hij om het leven. En toen de Romeinen van zijn daad vernamen, bonden zij een touw aan zijn voet en trokken hem drie dagen over de pleinen van  de stad bij wijze van voorbeeld. De keizer echter die gewend was mild te zijn, beval hem te begraven”.[6]

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

1092 was een slecht jaar voor Hendrik IV. Hij verloor een veldslag tegen de troepen van Mathilde bij Canossa; zijn buitenechtelijke zoon kwam daarbij om het leven en kreeg een staatsbegrafenis in de San Zenokathedraal te Verona. Zijn legitieme zoon en opvolger Koenraad keerde zich van hem af en liet zich tot koning van Italië kronen.

Om zich weer te verzoenen met Maria gaf hij de Mark Krain terug aan de kerk van Aquileia, die hij al eens eerder gegeven had, maar dan op slecht advies ingetrokken en elders weggegeven had. De kerk van Aquileia was gewijd aan de heiligen Maria en Hermagoras. In de oorkonde, die op 12 mei 1093 in Pavia geschreven is staat onder meer: Nunc igitur recognoscentes iusticiam ad reconciliandam nobis sanctam dei genitricem Mariam prefate ecclesie reddidimus et pro remedio anime nostre .[7]

 

De Mariakerk in Utrecht was volgens de overlevering een gezamenlijke stichting van keizer Hendrik IV en bisschop Koenraad en zou het westelijke sluitstuk geweest zijn van het Utrechtse kerkenkruis. Koenraad was een trouw aanhanger van Hendrik IV tijdens de investituurstrijd: hij vergezelde hem tijdens diens expeditie in Italië in 1083 en was aanwezig bij diens kroning tot keizer in 1084.

Vanaf 1085 was Koenraad meer in Utrecht, en omstreeks die tijd zal de bouw van de Mariakerk begonnen zijn. Als bewust voorbeeld schijnt de beroemde, net voltooide Dom van Spiers gediend te hebben, bij uitstek de kerk van Hendrik IV en de grafkerk van de Salische koningendynastie. De Mariakerk werd hierdoor ook als een symbool van het keizerschap aangezien.

In 1099 was de bouw van de Mariakerk zover gevorderd dat het koor kon worden ingewijd echter de bouw kwam stil te liggen. Pas na een episode in 1133, toen Floris de Zwarte zich tijdens zijn strooptochten door het Sticht in de Mariakerk verschanste, werd de bouw krachtig hervat, volgens een afwijkend plan: het schip en de westpartij werden uitgevoerd in Lombardische stijl, waarmee de Mariakerk een merkwaardig Italiaans voorkomen kreeg. In die zin was het een unicum ten noorden van de Alpen. Rond 1160 werden nog twee torens naast het westwerk toegevoegd.

De Mariakerk zoals zij nu tot stand was gekomen had een zeer grootse, monumentale allure, en in tegenstelling tot de andere romaanse kerken in Utrecht had had zij twee dwarsschepen, was zij geheel in steen overwelfd en voorzien van tribunes boven de zijbeuken.[8]

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

De door Hendrik IV gebouwde Mariakerk te Utrecht kenmerkte zich door zijn opvallende Lombardische stijl.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Op 11 augustus (?) 1106 werd Hendrik IV begraven bij het Maria-altaar in de Lambertuskathedraal van Luik.

[1]William van Malmesbury, c. 192. Cum vero, mira subiciam, sequentia cantitata et versu Hunc diem gloriosum fecisti,chori conticuissent, vox ab aera lapsa late insonuit: Hunc diem bellicosum ego feci. Rigentibus ceteris, imperator diligentius intendens muneri laetitiamque intelligens inimici: Tu, inquit, omnis malitiae inventor simul et incentor, diem bellicosum  et arrogantibus luctuosum fecisti, sed nos per Dei gratiam, qui illum gloriosum fecit, pauperibus gratiosum reddemus. Et mox reincepta sequentia, seolempni ploratu sancti Spiritusgratiam invitabat; intelligeres illum adventasse, illis cantantibus, istis lacrimantibus, omnibus  pectora tundentibus. Finita missa egenis per praecones conclamatis, omnes dapes quae sibi et curialibus parabantur in usus eorum exhausit, ipse obsonia apponens, ipse iuxta disciplinam ministrorum de longe consistens, ipse superflua ciborum abstergens.

[2] Hendrik III heeft voor zover na te gaan  nooit Pinksteren gevierd in Mainz. In 1054 vierde hij er Pasen.

De abt van Fulda had van oudsher het privilege om bij feestelijkheden rechts van de keizer te mogen zitten. Fuldense cenobium , Steindorff I, 518, n,.4.

[3] Volgens Lampert van Hersfeld, zou in 1062 of 1063 te Goslar  een handgemeen hebben plaatsgevonden tussen de aanhangers van de abt van Fulda en die van de bisschop van Hildesheim om de vraag wie naast de aartsbisschop van Mainz mocht zitten, waarbij de minderjarige koning Hendrik IV machteloos toekeek. Gezien de statuten van Fulda zal een plaats naast de aartsbisschop van Mainz  echter niet de inzet geweest zijn. Het ging nadrukkelijk om een plaats aan de rechterzijde van de keizer.

[4] D HIV 277.

[5] Annales Augustani.

[6] Beno,Gestae Romana aecclesiae contra Hildebrando, (Libelli de lite, II), Lib. I, c. 5. “Imperator solitus erat frequenter ire ad orationem ad aecclesiam sanctae Mariae, quae est in monte Aventino. Hildebrandus autem, cum per exploratores suos omnia eius opera sollicete inquireret, locum, in quo frequentius imperator vel stans vel prostratus orabat, notari fecit:  et quendam promissa pecunia ad hoc induxit, ut supra trabes aecclesiae occulte lapides magnos collocaret et ita aptaret, ut de alto super caput orantis imperatoris demitteret et ipsum contereret. Quod minister tanti sceleris cum festinaret implere et lapidem magni ponderis super trabes aptare vellet, lapis pondere suo eum traxit, et fracto sub trabibus, et lapis et ille miser homo Dei iuditio in pavimentum aecclesiae decidit et eodem lapide contritus periit. Ex huius rei gestae ordinem postquam Romani agnoverunt, pedem illius miseri fune ligaverunt et triduo per plateas urbus ad exemplum trahi fecerunt. Imperator autem solita clementia iussit eum speliri.

[7] D. HIV  432.

[8] Wikipedia

Geplaatst in Persoonlijke devotie, Uncategorized | Plaats een reactie

Een wilde puber

Gedenk uw Schepper in uw jeugd.

Verheug u, o jongeling, in uw jeugd, en uw hart zij vrolijk in uw jongelingsjaren; ja, volg den lust van uw hart en wat uw ogen aanschouwen, maar weet, dat God u om als deze dingen in het gericht zal doen komen. Prediker 11: 9

Tum vero rex Heinricus in annis adolescentiae constitutus et eiusdem aetatis consiliariis assuetus, nobilium et maiorum contra regiam consuetudinem familiaritates horrebat, et cum morum gravitas plurimum habeat laudis in rege, – quia decet esse regem constantem, fortem, severum, magnanimum, beneficum, liberalem-, relictis senibus gravibusque personis, levibus delectabatur et pueris tam sensu quam annis; hinc actum est, ut ad vitia propensior haberetur, quia difficile quis, quod diligit, aspernatur. Coepit ergo pietatem neglegere, questibus inhiare, omnia venalia habere, studere luxuriae, et cum teneretur vinculo matrimonii, matronas tamen plurimas possidebat. Gaudebat multum consortio puerorum et maxime venustorum; sed utrum id vicio fieret, ut aliqui confinxerunt, non satis compertum erat. Illud autem manifestum est, quod uxore contempta vagus et lubricus diversis desideriis agebatur, ut susceptae adulterino concubitu soboles attestantur. Quibus rebus ad aures Ildibrandi perlatis, multorumque litteris et indiciis patefactis, cepit animus christianus habere diu incertum, quid faceret[1].

Hij begon dus de vroomheid te verwaarlozen, naar wetenschappelijk onderzoek te smachten, wilde alle koopwaar hebben, had een voorliefde voor weelde, en terwijl hij vastgehouden werd door de boeien van het huwelijk, bezat hij toch vele getrouwde gezellinnen. Hij vermaakte zich zeer in gezelschap van jongens en het meest in gezelschap van lieftalligen; maar wat hiervan  gebeurd is of wat anderen bedacht hebben was niet voldoende bewezen.

Hij werd vergezeld door andere jongelui en zij vormden een vriendengroep (“consortium puerorum”) die zich overgaf aan het dobbelspel en andere geneugten.

De Harzburg

De Harzburg lag op een lage heuvel aan de noordrand van de Harz, ongeveer 6 km ten zuidoosten van Goslar. Oorspronkelijk heette deze plek de Sacerburg[2] en tot het begin van de 10e eeuw bevond zich hier een heiligdom van Saturnus, (Grieks: Chronos) die door het Saksische volk Krodo genoemd werd. De godheid werd afgebeeld als een man die op een grote vis staat met in zijn rechterhand een pot met bloemen en in zijn linkerhand een chakrawiel. Op de plaats van dit heiligdom stichtte koning Koenraad I  in het jaar 918 een kanunnikenklooster ter ere van St. Valerius, een van de eerste aartsbisschoppen van Trier[3].

Het was Hendrik III geweest die het munster van de Harzburg verplaatste naar Goslar[4], dat wil zeggen de kanunniken, het Valeriusklooster liet hij staan. Hier werd zijn op 10 april 1055 gestorven jongste zoon Koenraad begraven. De voorliefde van Hendrik IV voor de Harzburg dateert misschien uit deze tijd. Van maart tot november 1055 verbleven Hendrik III en keizerin Agnes in Italië en zij hadden hun kinderen gedurende die tijd  in Duitsland achtergelaten. Vermoedelijk dus in de Harzburg.

We weten niet hoe Hendrik IV de dood van zijn twee jaar jongere broertje heeft beleefd, maar vergeten is hij het graf van Koenraad nooit. Zijn eigen zoontje, dat in 1070 kort na de doop stierf, werd hier ook begraven. De dood van een geliefd familielid lijkt voor de Saliers aanleiding geweest te zijn voor het stichten van kloosters en kerken. Koenraad II stichtte het klooster Limburg na de dood van zijn zoon Wolfram, Hendrik III liet een kruis van kerken bouwen rond het hart van Koenraad II en hij stichtte de kerk van Simon en Judas nadat zijn moeder in Goslar was gestorven. De dood van zijn enige broer kan dus voor Hendrik IV het motief geweest zijn om op de Harzburg iets te stichten. Ook zal hij zich bewust geweest zijn van het bekende feit dat hier een heidens heiligdom van de Saksen gestaan had en dat de Valeriuskerk een overwinning van de christelijke koningsmacht symboliseerde.

Hendrik IV, die vanaf zijn vroegste jeugd door de Saksen met de dood bedreigd was, voelde zich op deze heuvel veilig tussen de dikke muren. Zelfs wanneer hij in Goslar hof hield, bracht hij de nacht door in zijn burcht.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Parallellen

 

Das gleiche gilt für Wipos berühmten Vorwurf, Konrad und Gisela hätten 1025 von einem adeligen Kleriker namens Udalrich eine ungeheure Geldsumme, immensa pecunia, für die Verleihung des Baseler Bistums genommen. Später habe der König Reue gezeigt und das Gelübde getan, weder für ein Bistum noch eine Abtei in Zukunft Geld zu nehmen; diesem Gelübde sei er „fast gut“, pene bene, treu geblieben. Jedenfalls habe der Sohn Heinrich III. das Gelübde des Vaters stets aufs beste eingehalten und diesen so entsühnt. Auch der Zeithorizont dieser Mitteilung liegt in den vierziger Jahren des 11. Jahrhunderts und nicht in den Tagen Konrads II., wie der ständige Hinweis auf Heinrich III., den Adressaten der Konrad-Biographie, lehrt. Zugleich aber scheint der Autor selbst anzudeuten, dass derartige Zahlungen „in den weiteren Rahmen der Servitialpflicht gehörten“. Da die Neubesetzung Basels im Juni 1025 erfolgte, als Konrad II. diese Stadt Burgunds, wenn nicht schon eroberte, so doch militärisch besetzte, könnten die Zahlungen als eine  Art Kontribution oder als Vorgriff auf das bis dahin hier nicht übliche servitium regis, von Gisela vielleicht auch als Anzahlung auf ihr mütterliches Erbe verstanden worden sein. Das am 23. Juni 1025 in Basel ausgestellte Privileg für das Kloster Murbach lässt erkennen, dass der neue Bischof beträchtliche Güter, die Heinrich II. Murbach entzogen und Udalrichs Vorgänger Adalbero verliehen hatte, dem elsässichen Kloster zurückgeben musste. Aribo von Mainz und Werner von Strassburg trugen diese Transaktion mit. Es war also nicht so, dass Udalrich von Basel nur an das Königspaar zu zahlen hatte.

 

 

1070

 

So wurde die Festfeier von Mariä Reinigung in Augsburg begangen, und hierher verfügte sich – eben zum 2. Februar – auch eine Abordnung aus Constanz, um vom Könige die Genehmigung der daselbst getroffenen Vorwahl zu erbitten.

Die angesehenen Geistlichen und Laien hatten als Bischof für Ru,old’s Kirche einen dieser selbst angehörenden Geistlichen, Siegfried, welcher mit seiner Eigenschaft als Constanzer Domherr auch diejenige eines Kapelans des Königs verband, in Aussicht genommen, und sie Schlugen zu Augsburg denselben zur Bestätigung vor. Aber von Heinrich IV war als Rumold’s Nachfolger der Domherr der Magdeburger Kirche und zugleich Probst der Kirche auf der Harzburg, Karl, welcher auch durch allerlei Dienstleistungen ihm schon bisher näher verbunden war, auserwählt, so dass er den von den Constanzern ihm vorgeschlagenen Siegfried nicht annahm.

 

 

 

 

 

 

[1] Wido episcopus Ferrariensis de scismate Hildebrandi, c. III, p.536.

[2] Geismar, H., 19

[3] Geismar, H., 36.

[4] Ibidem, 53.

Geplaatst in Afkomst en jeugd | Plaats een reactie

De troubadour

Wanneer we er niet zonder meer van uit willen gaan dat Hendrik IV een geboren tiran of antichrist was zoals zijn tegenstanders beweerden, dan blijft de vraag hoe het toch kwam dat deze koning in zijn leefwijze zozeer afweek van de gangbare normen[1].

Hendrik IV was een kleinzoon van hertog Willem de Grote van Aquitanië. De “eerste troubadour” hertog Willem IX was zijn volle neef en tijdgenoot. Diens kleindochter Eleonora geldt als een van de grondleggers van de hoofse cultuur, hoewel de wortels van deze cultuur nog veel verder teruggaan[2]. Geen historicus heeft in de Duitse keizer Hendrik IV ooit een Fransman of een Aquitaniër willen zien. Toch kan het veel verduidelijken wanneer we een blik over de grens werpen op zijn familie van moederszijde en hun morele overtuigingen.

In 1043 nadat koning Hendrik III de hand gevraagd had van Agnes van Poitou, de dochter van hertog Willem de Grote en gravin Agnes van Anjou, kwam er van de kant van de hervormingsgezinde geestelijkheid felle kritiek. Er werd betoogd dat dit huwelijk en de daarmee gepaard gaande Franse invloed aan het hof tot ernstige zedenverwildering zou leiden. Agnes en Hendrik III werden zozeer onder druk gezet, dat zij hun huwelijk begonnen met een daad van openbare boete, wat onder meer inhield dat alle muzikanten en jongleurs zonder betaling van het hof verjaagd werden en dat het uitgespaarde geld aan de armen geschonken werd. Het huwelijk werd niet toevallig voltrokken op 22 november, de dag van St. Caecilia, de patrones van kuisheid en gewijde muziek.

Nadat in november 1050 Hendrik IV geboren was, werd al snel duidelijk dat de troonopvolger een opvoeding zou krijgen die paste in de beste tradities van het hertogelijke Aquitaanse hof. Abt Hugo van Cluny werd benoemd tot peetvader. Hij stond aan het hoofd van het zeer invloedrijke “familieklooster”, dat door hertog Willem I van Aquitanië  was gesticht. In de op sommige punten Renaissanceachtige ideologie van Cluny stond de vrije wil van de mens, het “velle et posse” centraal[3]. De kleine Hendrik, zo zullen zijn ouders gedacht hebben, moest leren zijn eigen beslissingen te nemen. Autonoom gedrag kenmerkte ook de hertogen van Aquitanië. En het was een Franse monnik, Arnulph, waarschijnlijk de kapelaan van Agnes, die het keizerpaar kort na 1050 een handschrift met spreukwijsheden schonk, die naar alle waarschijnlijkheid bedoeld was als leidraad voor de opvoeding van de kroonprins, zoals hofkapelaan Wipo indertijd ook zijn Proverbia had opgedragen aan de jonge Hendrik III.

Nadat Hendrik IV op 6-jarige leeftijd zijn vader had verloren, was zijn moeder degene die over zijn opvoeding besliste. Zij ondervond hierbij zoveel kritiek, dat de vorsten van het rijk het nodig vonden de bijna twaalfjarige jongen, die in 1062 in het begin van zijn puberteit was, uit de invloedssfeer van zijn moeder weg te halen. Hendrik IV werd ontvoerd, Agnes uit de ouderlijke macht ontzet. “De koning begon al tot een jongeling op te groeien, maar aan het hof bekommerden de leidinggevenden zich alleen om hun eigen zaken en niemand leerde de koning wat goed of rechtvaardig was”. [4]

Bijna twintig jaar na Agnes’ komst in het Duitse rijk waren haar gewoontes nog steeds niet geaccepteerd. Omdat zij een vrouw was en een Franse, zo werd er gezegd, leek zij op haar moeder gravin Agnes van Anjou, “die evenveel minnaars had als het aantal jaren van haar leeftijd”. Agnes senior leefde gescheiden van haar tweede echtgenoot Godfried Martel. Een briefschrijver meende bisschop Günther van Bamberg voor de keizerin te moeten waarschuwen: “Niet alleen haar geslacht, maar ook haar natuurlijke aanleg, en niet alleen haar natuurlijke aanleg, maar ook haar vaderland! Want haar moeder in elk geval telt evenveel bruiloften als verjaardagen. Gezegd is genoeg, in elk geval tegen een wijze. Want is niet alleen haar leeftijd verdacht maar ook haar sekse?“[5]

Men verweet de keizerinweduwe ook dat zij zich te opzichtig kleedde. De hervormingsgezinde kapelaan Udalrich van Zell, zelf “de onmatigheid van het hof vermijdend”, vermaande haar in weinig vleiende bewoordingen dat zij haar geest moest sieren met heilige deugden in plaats van “de verwelkte bloem” van haar lichaam te “bepleisteren” met een weelde van kostbare gewaden.[6]

De maat was vol toen Agnes verliefd werd op een bisschop. Dit beweert althans Lampert van Hersfeld. “Terwijl zij haar zoon opvoedde bestuurde zij het rijk zelf en maakte vooral gebruik van de raad van Heinrich, bisschop van Augsburg. Daardoor was zij niet in staat aan de verdenking te ontsnappen van onkuise liefde, want het gerucht werd verbreid dat zij deze graad van intimiteit niet ontwikkeld konden hebben zonder zondige gemeenschap. Deze situatie stuitte op weerzin van de vorsten, namelijk toen zij zagen dat door haar persoonlijke liefde voor één man hun eigen autoriteit, die het meest gewichtig had moeten zijn in het rijk, bijna ineengeschrompeld was”. En dus hielden zij constant bijeenkomsten, hitsten de stemming in het volk op tegen de keizerin en besloten de jongen bij zijn moeder weg te halen en zelf de regering over te nemen.

Onder de voogdij van de reactionaire aartsbisschop Anno van Keulen zal Hendrik IV ongetwijfeld een strenge opvoeding gekregen hebben, maar zijn hart lag ergens anders. De andere voogd, aartsbisschop Adalbert van Hamburg-Bremen, de jarenlange huisvriend van Agnes en Hendrik III, die zeer gesteld was op de zoon van het door hem vereerde keizerpaar,  wist dat ook. Hij raadde hem aan: “het is dwaas om niet in alles de begeerten van de jeugd te bevredigen. Doe alles wat je hart bevalt, zorg er alleen voor, dat je in het ware geloof sterft”. Zo hadden de hertogen van Aquitanië het ook altijd gedaan. Hertog Willem de Grote had een flamboyant leven achter de rug, toen hij op 70-jarige leeftijd als monnik in een door hemzelf gesticht klooster stierf. En ook de hertogen Willem VIII en zijn zoon Willem IX  (1071-1126) lieten het beslist niet na de “begeerten van de jeugd te bevredigen”. Willem VIII was tot tweemaal toe gescheiden en over zijn derde huwelijk kreeg hij moeilijkheden met paus Gregorius VII. Willem IX werd in zijn vida (de anekdotes uit zijn leven) als volgt gekenschetst:

“Lo coms de Peiteus (de graaf van Poitiers) was een van de meest hoofse mensen ter wereld en een van de grootste vrouwenverleiders. Hij was een goede strijder en vrijgevig met complimenten. Hij wist goed te vinden [“trobar”, waarvan het woord troubadour is afgeleid]en te zingen, en hij trok door de gehele wereld om vrouwen te bekoren.”[7]

Dat er in de tweede helft van de 11e eeuw nog steeds anti-Franse ressentimenten  in Saksen leefden, vernemen wij van de dichter Sextus Amarcius, wanneer hij het huwelijk van de koning beschrijft:

“De Elbe van de oorlogen zal met hartstocht walgen van Athene. En zich schamen Franse hengsten in het rond te laten stappen, roodbruine en blauwe schimmels met de zweep werk te geven. [Saksen was vermaard om zijn paardenfokkerijen]. Daarna vatten de ruiters weer moed en geven zich over aan het spel. De worstelschool en schilden en dergelijke zetten ze opzij. Alle aanwezigen vallen ten prooi aan een vrolijk leven dat iedereen op de proef stelt van God te zijn, weerlegd door de vijanden. Niemand kan tegelijkertijd twee heren dienen. Door grote smaad bedreigd is de hofkliek. De hoogsten zullen daarna de rammelaar van een kind zien. Geenszins ziet het geslacht de kerk. Moge alwie de hal van de vorst straks bezoekt verwerpen de hoop van de wereld en de vrees. Gelukkige armoede die niet hoopt noch vreest! Want de greppels van de Styx houden de begerigen van de wereld vast. De vrouw van Lot werd een zoutpilaar, laten wij niet omkijken.[8]

“…de jongemannen wier vingers een gladde ring siert, die hun gekrulde haar over de jonge nek werpen en onder de enkels de bontgekleurde puntschoenen met geelachtige riempjes versieren, de hoge laarzen van het volk verachten, bij zichzelf zeggend: “Wat schaadt de schone schijn?”

“Maar jij [Hendrik IV], die je met de zorg voor het ware vaderland bezighoudt, verwerp de valse macht. Vlucht van de blinde bezigheden van de wereld… Een bekrompen monarch van de wereld wordt opgesloten in een graf[9]. IJverig en voortreffelijk ben je niet, behalve dan dat duizend ogen je zien en dat mensen zeggen : ‘Dit huwelijk (met Bertha van Turijn?) schrijdt naar het licht, dat zich kleedt in marterbont, beverhuid, elegant genaaid aan fijn linnen, grijze pelsmantel’. Zo verblindt het ontvangen van vreemdelingen velen, met kostbare kleding van rode stukken pels (gulae) en purper.”[10]

Gravin Marie van Troyes, dochter van Hendriks achternicht Eleonora van Aquitanië, liet door Andreas Capellanus  een handboek met “regels” voor de hoofse liefde opschrijven.  Het zijn 31 punten, die voor een groot deel gaan over de gevoelens van geliefden – waar in ons geval, Hendrik IV, niets met zekerheid over te zeggen valt – en voor een kleiner deel over het uiterlijke gedrag dat voor iedereen zichtbaar is. Het is interessant die laatstgenoemde aanbevelingen voor correct hoofs gedrag te confronteren met de beschuldigingen tegen Hendrik IV en met zijn historisch gedocumenteerd gedrag.

Regel 1: “Marriage is no real excuse for not loving”. Dat Hendrik IV zijn wettige echtgenote bedroog was een steeds terugkerende beschuldiging.

Regel 6: “Boys do not love until they reach the age of maturity”. Hendrik IV werd meerderjarig verklaard met Pasen 1065 op de leeftijd van 14½ jaar.  Hij was tussen de 15 en 16 jaar toen hij voor het eerst vader werd van een natuurlijke zoon, die in 1081 in Italië met officieel ceremonieel meerderjarig werd verklaard.

Regel 8: “No one should be deprived of love without the very best of reasons”. Hendrik IV beschouwde zijn liefdesleven als een recht waar niet aan te tornen viel. Noch afzetting als koning door de vorsten, noch excommunicatie door de paus kon hem ervan afbrengen.

Regel 10:  “Love is always a stranger in the home of avarice”. De enige ondeugd waarvan Hendrik IV nooit is beschuldigd was hebzucht of gierigheid, dit in tegenstelling tot zijn vader, die soms als een meedogenloze vrek werd afgeschilderd. Vriend en vijand prezen zijn gulle vrijgevigheid, vooral aan de armen.

Regel 11: “It is not proper to love any woman whom one would be ashamed to seek to marry”.  Wanneer Hendrik IV nu maar gewoon zijn zijsprongen beperkt had gehouden tot dienstpersoneel en naamloze sloofjes, zou er nooit een haan naar gekraaid hebben. Het waren echter de edele vrouwen die hij het hof maakte, afkomstig uit de hoogste adel en daarmee veroorzaakte hij grote schandalen in ogen van de Saksen:

“…unkûsce er sich underwant.

Er rait hovescen in diu lant,

Er hônde die edelen frouwen,

Die sîne liez er rouben.’[11]

[Onkuis misdroeg hij zich.

Hij reed hoofs (höfisch, courtois) door het land,

Hij bracht de edele vrouwen te schande,

De zijne liet hij roven.]

Regel 14: “The easy attainment of love makes it of little value: difficulty of attainment makes it prized”.  Hendrik IV haalde soms gevaarlijke capriolen uit om zijn doel te bereiken. Ook liet hij vrouwen schaken, wat niet ongebruikelijk was aan het Aquitaanse hof[12]. Door deze inspanningen steeg de intrinsieke waarde van zijn liefdesleven. “Wanneer hij hoorde dat iemand een jonge en mooie dochter of echtgenote had,” zegt Bruno, “beval hij haar met geweld bij hem te brengen als hij haar niet kon verleiden. Soms begaf hij zich ook zelf met een of twee begeleiders ‘s nachts  daarheen waar hij zo eentje wist. Soms bereikte hij het doel van zijn walgelijke begeerte, soms ook scheelde het niet veel of hij werd door de ouders of de echtgenoot van zijn geliefde  (sic!) vermoord”. [13]

Regel 31: “Nothing forbids one woman being loved by two men or one man by two women”.  Toen Manegold van Lautenbach met aartbisschop Gebhard van Salzburg overlegde of het mogelijk was om Hendrik IV af te zetten omdat hij geen afstand wilde doen van zijn concubines, noemde hij de namen van twee  minnaressen: Juditta en Offigia.

De conclusie lijkt gerechtvaardigd dat de gedragingen die voor de Saksen reden waren om Hendrik IV als koning af te willen zetten, volkomen geaccepteerd en zelfs voorgeschreven waren aan het Aquitaanse hof. De “misdaden” van Hendrik IV zijn door troubadours steeds weer bezongen.

“1106 Do dede de keiser eine grote schande; he hadde einen ridder by sick, de was van Schartvelde, de hadde ein schone wiff, und dar hedde de keiser gerne by gewesen; do sende de keiser den ridder over velt verne, darnach do reit de keiser jagen na der borch Schartvelde unde benachte dar unde schaffe dar sinen willen an der erbarn fruen dangk. Do de ridder wedder kam, de fruwe klage dat mit herteschwere, wat de keiser gedan hadde. Dem ridder was dut leit unde gingk tho des keisers hve; de keiser dachte wol, dat he de bosheit wuste, de he an siner fruen bedreven hadde, unde bot me scholde ohne morden; de ridder wart gewarnet, unde de bosheit kam uth, sodat de churfursten einen anderen keiser koren.”[14]

Terwijl de “eerste” troubadour hertog Willem IX van Aquitanië furore maakte, was de liedjeskoorts ook aan het hof van zijn neef Hendrik IV doorgedrongen. In de nog steeds veronachtzaamde bron Sermones van Sextus Amarcius manifesteert de keizer zich hoogst persoonlijk als zanger.

In zijn ‘aanklacht tegen de luxe’ keert de dichter Sextus Amarcius, die zijn taalgebruik ontleend heeft aan klassieke auteurs, maar die niettemin actuele gebeurtenissen beschreef, zich tegen decadente uitspattingen aan het hof van Hendrik IV, (die hij  consequent aanduidt als “patricius[15] en “herus” of “heer”). Op een zeker moment geeft Amarcius een lange beschrijving van een eetfestijn aan het hof.[16] Na de maaltijd krijgt “de furie Erinis”, ofwel het libido, de “heer” in haar macht. Terwijl hij op het bed zit, wenst hij dat een wellustig meisje….”[17] De rest van de tekst was zo compromitterend dat ze door een censor werd verwijderd. Vervolgens is het tijd voor muziek.

Een ‘iocator’ (speelman) zingt in dit verhaal een viertal liederen, waarvan er de laatste drie tevens voorkomen in de met Hendrik III geassocieerde Cambridge-liederen. Het zijn: Goliath, Suevulus, (“het Sneeuwkind”, folklore uit Zwaben), Pythagoras (de ontdekker van de harmonieleer) en Philomena, (“Nachtegaal”, een ritmisch lied van Franse origine).

Ook de “heer” zelf, die met zijn gezondheid sukkelt,  maakt muziek en bezingt de liefde. “Wee mij”, zo roept hij uit, “als ik niet door ziekte word opgejaagd, als gezwollen blaren en gekneusde ribben afwezig zijn, is mijn geest zo slecht nog niet. Jongen! Kom hier! Ken je een lierspeler, zeg, of een kundige citharist, of iemand die het plectrum harmonieert met de holle tamboerijn, een ervaren iemand, voor het geval dat het lied deze oren hier niet zal strelen, maar haast je, mijn geest fonkelt om over de liefde te zingen.”

Niemand lijkt het ooit opgemerkt te hebben, maar in de Sermones bevindt zich de tekst van een heus lied dat Hendrik IV zelf schreef en ten gehore bracht. In troubadourtermen zou men het kunnen typeren als een planh een klaaglied.

“Nu past het mij”, schreef Amarcius, “een lied te laten volgen, een deugdelijk gemaakt gezang van de Patricius [Hendrik IV] , die in die tijd, met vrolijk getokkel een lofdichter voor heel velen, zich herstelde:

“Onder hen die wegkwijnen in Speyer

               Waar de lucht ongezond is

               Vermagerde de schrale Beradon

               Met twintig ten grave gedragenen

               Het is treurig om te zeggen

               Is hij tenslotte halfdood vermengd.

                              En slaperig wist hij niet waar hij was,

               Tot eindelijk de maansikkel

als een gewijde lamp boven hem hing

Toen rondkijkend barste hij los: ‘waar ben ik?’

                              Zuchtend vanuit het hart antwoordde iemand:

               ‘Kijk naar beneden, hoe treurig wij hier liggen

               Verborgen in een urn, vermengd met de doden

               Neergeworpen ben ik hier gisteren

               En ik wanhoop.’

                              ‘Ik weet niet of je van plan bent

               Tot de aardbol terug te keren?’

               ‘Nee, omdat de wrede honger,

               Die zo woest de wereld beheerst,

               Niet aan mij voorbij zou gaan’

                              “Mij is het graf niet zo dierbaar

               Dat het mij al behaagt

               Het zieke leven te laten varen

               Zo bied ik nu mijn wang aan

               Als God zou willen

               Wat hij nu van mij wegneemt

               Menigmaal erger terug te brengen!

                              En onderwijl keerde terug

               Het vooruitgezonden morgenrood

               En de zon verdreef met rosse gloed

               Schitterende stralen voortbrengend

               De schaduwen van de nacht.

                              Deze Beradon roept: ‘Ik leef,

               En verdubbeld door de echo: ‘Ik leef,

               En niet bedreigd door de dood

               Zoals de overige verborgen manschappen,

               Weiger ik te liggen.’

                              Hierdoor stomverbaasd

               Kwamen voorbijgangers snel aanrennen

               En ziend dat hij nog ademde

               Redden zij de ongelukkige

               Uit het nabije graf”

 

[1] Althoff weet deze vraag alleen te verklaren met de invloed van aartsbisschop Adalbert van Hamburg-Bremen.

[2] Zie bijv. C.S. Jaeger, The Origins of Courtliness.

[3] Götte, Chr. 72.

[4] Annales Althahenses

[5] M.v.K Jbb I, 282. Giesebrecht III, 79,80,86,87.

[6] Ex Vita S. Udalrici prioris Cellensis, c. 5.

[7] Lurvink, P., Middeleeuwen: de opkomst van het hof als cultuurcentrum (1100-1400). www.musiversum.net  ©Peter Lurvink.

[8] Sermones IV, 252-266.

[9] Verwijzing naar het gedicht “Caesar, tantus eras”, over de dood van Hendrik III. “Keizer je was zo groot als de wereld, en nu lig je in een nauw graf”.

[10] Ibidem, IV, 169-200.

[11] Kaiserchronik, 16554-16560.

[12] Hertog Willem IX ontvoerde de echtgenote van zijn vice-graaf, Philippa, en maakte haar tot zijn concubine.

[13] Bruno, De bello Saxonico, C. 6.

[14] Geismar, H., 58.

[15] Hendrik IV, de derde keizer van die naam, was Patricius van Rome.”Henricus tercius Romane sceptiger arcis” wordt hij door Amarcius genoemd. Sermones III, 141.

[16] Sermones, I, 340-389.

[17] Tum sese in sponda vovet ut lasciva puella…” Sermones I, 390.

Geplaatst in Beschuldigingen tegen Hendrik IV | Plaats een reactie

De Saksenopstand

Naar afkomst was Hendrik IV geen Saks, maar een Frank. In de Rijnsteden Worms, Mainz en Speyer was hij thuis en werd hij ook in moeilijke tijden door de bevolking gesteund en gastvrij onthaald. Zijn vader Hendrik III was een afstammeling van de Frankische hertog Otto van Worms geweest en de meeste van zijn voorouders leefden aan beide oevers van de Rijn. Zijn moeder Agnes stamde uit het oude Karolingische hertogdom Aquitanië. Zij bracht “verwerpelijke” Frankische zeden naar de Elbe[1].

Sextus Amarcius wijst er in een interessante en tot op heden in de geschiedschrijving veronachtzaamde passage op dat ook in het strijdlustige Saksen (“de Elbe van de oorlogen”) bedenkingen tegen deze “Frankische” huwelijksverbintenis bestonden (én tegen de daaruit voortvloeiende vrede). De Saksische paardenfokkerij zou concurrentie ondervinden van een nieuw paardenras, de Franse schimmel, en in plaats van serieuze gevechten (die onontbeerlijk waren voor het behalen van krijgsroem en oorlogsbuit) zouden er voortaan alleen nog “spelen” (tournooien?) plaatsvinden. “De Elbe van de oorlogen zal met hartstocht walgen van Athene. En zich schamen Franse hengsten in het rond te laten stappen, Roodbruine en blauwe schimmels met de zweep werk te geven, Daarna vatten de ruiters weer moed en geven zich over aan het spel. De worstelschool en schilden en dergelijke zetten ze opzij. Alle aanwezigen vallen ten prooi aan een vrolijk leven dat iedereen op de proef stelt van God te zijn, weerlegd door de vijanden. Niemand kan tegelijkertijd twee heren dienen. Door grote smaad bedreigd is de hofkliek van de koning. De hooggeplaatsten zullen daarna de rammelaar van een kind zien. Geenszins ziet het geslacht de kerk. Moge ieder die de hal van de vorst straks bezoekt de hoop van de wereld en de vrees verwerpen. Gelukkige armoede die niet hoopt noch vreest! Want de greppels van de Styx houden de begerigen van de wereld vast De vrouw van Lot werd een zoutpilaar, laten wij niet omkijken.[2]

Ook de “verwijfde” mode die met de Fransen zijn intrede deed, was bij Amarcius een steen des aanstoots: “…de jongemannen wier vingers een gladde ring siert, die hun gekrulde haar over de jonge nek werpen en onder de enkels de bontgekleurde puntschoenen met geelachtige riempjes versieren, de hoge laarzen van het volk verachten, bij zichzelf zeggend: “Wat schaadt de schone schijn?”

Hendrik zelf krijgt ook een veeg uit de pan. De anders zo vrome en deugdzame koning is hier een “bekrompen monarch van de wereld” en niet  “ijverig of voortreffelijk”.“Maar jij, die je met de zorg voor het ware vaderland bezighoudt, verwerp de valse macht. Vlucht van de blinde bezigheden van de wereld… Een bekrompen monarch van de wereld wordt opgesloten in een graf. IJverig en voortreffelijk ben je niet, behalve dan dat duizend ogen je zien en dat mensen zeggen :‘Dit huwelijk schrijdt naar het licht, dat zich kleedt in marterbont, beverhuid, elegant genaaid aan fijn linnen, grijze pelsmantel’. Zo verblindt het ontvangen van vreemdelingen velen, met kostbare kleding van gulae en purper.”[3]

De betekenis van de raadselachtige gulae bleef tot dusver onopgehelderd. Gulae is volgens sommigen afgeleid van het franse woord gueules, keelholtes, en het zou daarbij gaan om rode stukken pels. Deze modieuze pelsstukken worden in verschillende geschriften genoemd. Ze vormen een aanwijzing voor de invloed van de Franse mode aan het hof rond 1044, de benoeming van bisschop Azelin van Hildesheim. Deze waarschijnlijk door Agnes geïntroduceerde bisschop stak met zijn  “verwijfde kleding” en gulae vreemd af bij de eenvoudig geklede leerlingen van de Hildesheimer kathedraalschool: “Zelfs verwijfde kleding was hun zorg niet, zoals de rode stukken pels waarover de priester (Azelin) in vuur en vlam was, ze kenden geen tongen van bont en handschoenen; niet met Griekse mantels maar met zwarte lompen versierden zij zich.”[4]

Zij zouden wel eens verband kunnen houden met de in Poitiers bestaande cultus van de heilige Radegonde en in het bijzonder met het verhaal van de ‘Grand’Goule’.[5] In het ondergrondse Poitiers leefde een verschrikkelijke draak die “Grand’Goule” werd genoemd. Mensen die hem tegenkwamen werden onmiddellijk verslonden. De nonnen van de Sainte-Croix abdij smeekten Sint Radegonde om in te grijpen. De zeer moedige heilige ging op het beest af met een relikwie van het Kruis dat geschonken was door de keizer van Byzantium. Bij de aanblik van dit heilige reliek, werd het ondier geveld.

Beelden van de “Grand’Goule” werden door de straten van de stad in de processies meegedragen tijdens de Kruisdagen, drie dagen voor Hemelvaart. De inwoners van Poitiers wierpen dan met koekjes genaamd “casse-museaux”, zeggend: “Bescherm ons Grand’Goule”, “Bescherm ons voor het komende jaar.” Iets dergelijks zou misschien ook de functie van de gulae geweest kunnen zijn, een soort gelukbrengende talismannen die naar de “Grand’Goule” van Poitiers verwezen. Gueule betekent bek of muil; casser la gueule à is iemand op zijn bek slaan en museau is de snuit van een dier. Casse-musseaux wil dus zoiets zeggen als: sla de snuit (van de draak).

Zowel in vaderlijke als in moederlijke lijn stamde Hendrik IV af van de “Saxenslachter” Karel de Grote, die bij zijn agressieve verbreiding van Christendom tienduizenden Saksen had gedood. De verwachting was dat hij de “politiek” van zijn voorvaderen en in het bijzonder zijn vader Hendrik III zou voortzetten met de bedoeling het Saksische volk tot slavernij te dwingen. Men kon met zo’n kind beter geen risico nemen; hij moest gedood worden nu hij nog jong was.

In 1057 besloten de Saksische edelen korte metten met de 7-jarige te maken:

“De Saksische vorsten vergaderden op frequente bijeenkomsten over de ongerechtigheden die hen onder de keizer [Hendrik III] waren aangedaan en zij geloofden zich daarvoor geen betere genoegdoening te kunnen verschaffen dan zijn zoon de rijksregering te ontworstelen, zolang zijn jeugd een gunstige gelegenheid voor zo’n gewelddaad bood. Het vermoeden lag immers voor de hand, dat de zoon in karakter en leefwijze zoals men pleegt te zeggen, in de voetstappen van zijn vader zou treden… zij besloten de koning te doden wanneer zich ook maar een gelegenheid voordeed.”[6]

Na de dood van Hendrik III deed keizerin Agnes al het mogelijke om het de Saksische edelen met landschenkingen en restituties naar de zin te maken.[7]

Hendrik IV is geboren in de keizerpalts van het Saksische Goslar en hier bracht hij het grootste deel van zijn jeugd door. Dankzij de zilvermijn in de naburige Rammelsberg beschikte deze palts over genoeg financiële middelen om de hofhouding wel twee maanden achter elkaar te kunnen verzorgen. Het moet een naargeestige plek geweest zijn voor een gevoelig kind. Het hier in het middelgebergte altijd kouder dan in het omliggende land en de sneeuw viel al vroeg in het jaar. De lucht was vervuld van houtrook door de aanwezigheid van de vele kolenbranderijen, die brandstof leverde voor de ertsindustrie. De ertskarren van de mijnwerkers ratelden met veel lawaai over de keien. Alles in Goslar draaide om de mijn.  De palts was een enclave in vijandelijk gebied, omringd door donkere wouden, vol wilde dieren en heksen. Als een voortdurend memento mori was in de tegenoverliggende kerk het hart van Hendriks vader begraven, naast het graf van een van zijn jonggestorven zusters.

Op 11 november 1065 kon Hendrik hier zijn 15e verjaardag vieren. De jonge koning had grote plannen, die hem werden ingefluisterd door vice-dominus Benno, de beheerder van de palts, en door aartsbisschop Adalbert, aan wie hij kort tevoren nog omvangrijke privileges geschonken had. In Saksen moest de rechtsorde worden hersteld.

Hendrik IV was zich van zijn afkomst bewust en hij beschouwde Karel de Grote als zijn voorbeeld. Het werd zijn ideaal het rijk en de gebruiken van de grote Karel in ere te herstellen.

Heinricus, cum ad maturam venisset aetatem, relicto episcopo [Anno], secundum propriam vixit voluntatem, promittensque Karolum Magnum suo seculo sese representaturum, Roboam[8] se representatavit. Anno curiae se abdicavit ideo, in ocia se recipiens. Adelbertus Bremensis archiepiscopus loco eius non industriae, substituitur.[9]

 

Via een oorkonde voor het Mariastift te Aken liet hij in 1076 proclameren: antecessorum nostrorum regum seu imperatorum exemplis didicimus, quantumhonoris et utilitatis regibus contulerit et negaverit honor et status ecclesiarum ab eisdem regibus servatus et adauctus, neglectus et minutus. Ut enim de bonis sumamus exempla, sic magni Karoli imperatoris dive memorie consuevit facere prudentia, qui ecclesias fundavit, fundatas prediis ditavit, honore ampliavit, religion dilatavit: in cuius dilatatione quantum honoris et commodi sibi et regno contulerit, magni  nominis eius fama in universali adhuc servat ecclesia. Cuius meritorum et virtutis commemoratio procul dubio successsorum est edificatio; quem et nos pro posse dei adiutorio imitari cupientes, eius exemplo re nostras ampliari et regni statum dilatari credimus, sie eius exemplo … religionem ecclesiarum servare voluerimus[10].

 Vanaf 1065(?) Hendrik IV laat zes nieuwe burchten bouwen rondom het koningsgoed in de Harz.

1066 Aartsbisschop Adalbert door de vorsten ten val gebracht. 13 juli (Dag van de “kuise” heilige keizer Hendrik II):  Hendrik IV wordt tegen zijn wil uitgehuwelijkt aan Bertha van Turijn.

1070 Otto von Nordheim wordt ervan beschuldigd een aanslag op Hendrik IV te hebben voorbereid.

1073-1075 Saksenopstand.

Aanleiding – maar geen structurele oorzaak – tot de uitbarsting van het conflict was een hofdag op het feest van de apostelen Petrus en Paulus (29 juni) in Goslar, waartoe Hendrik IV de bisschoppen, hertogen en graven had uitgenodigd. Volgens Bruno zou de koning echter de hele dag niemand te woord gestaan hebben, maar de deuren van zijn kamer gesloten hebben gehouden, waar hij “met zijn kruiperige hovelingen het dobbelspel en andere onnutte dingen bedreven” zou hebben, “onbekommerd erover dat hij zoveel belangrijke mannen voor zijn deur liet wachten alsof zij de nederigste knechten waren. Zo verging de hele dag, zonder dat hij zelf of een bode, die de waarheid bericht zou hebben naar buiten kwam. Toen het al nacht geworden was, kwam een van zijn hovelingen naar buiten en vroeg de vorsten honend, hoe lang zij daar nog wilden wachten, daar de koning al door een andere deur naar buiten gegaan was en in snelle rit naar zijn burcht ijlde. Toen geraakten allen over de smadelijk hoogmoedige behandeling van de koning dermate in opwinding, dat zij hem nog in dat uur zonder schuwheid openlijk de trouw opgezegd zouden hebben, als niet markgraaf Dedi dankzij zijn wijsheid hun toorn bezwicht  had.” Dat Hendrik IV een hofdag voor het hele rijk georganiseerd zou hebben en vervolgens de hele dag niemand van de edelen te woord zou hebben gestaan, lijkt ongeloofwaardig. Het ging om een aparte groep Saksische edelen, die wist door te dringen tot zijn privé-vertrekken. Het is twijfelachtig of het gebruikelijk en toegestaan was om zich op een dergelijke manier toegang tot de koning te verschaffen[11]. Hendriks reactie toont wel dat hij geschrokken was van deze inbreuk in zijn privé-sfeer. Hij verliet de palts van Goslar door een andere uitgang en begaf zich met grote haast naar zijn burcht (waarschijnlijk de Harzburg) –  vermoedelijk omdat hij het niet meer veilig vond de nacht in Goslar door te brengen. Dit zegt meer over het provocatieve karakter van het optreden van de Saksen dan over dat van de koning.

De Saksische edelen, die nog dezelfde nacht gezamenlijk gezworen hadden “liever te sterven dan een leven in smaad en schande te leiden”[12] riepen nu hun stamgenoten op tot een bijeenkomst in Hoetensleben. Hertog Otto van Northeim, zelf eigenaar van de grootste burcht van Saksen, de Diesenburg bij Paderborn, hield volgens Bruno de volgende toespraak, waarin het een somber beeld schetste, van wat naar zijn mening de koning van plan was te doen:

De onbillijkheid en smaad, die onze koning al sinds lang over ieder van jullie gebracht heeft, zijn groot en ondraaglijk; maar wat hij zich voorgenomen heeft te doen, als de almachtige God het toelaat, is nog veel groter en zwaarder. Sterke burchten heeft hij, zoals jullie weten, in grote getale [het ging in werkelijkheid om zes burchten] op van nature vaste plaatsen opgericht en tamelijk beduidende krachten van zijn vazallen met alle soorten wapens rijkelijk voorzien erin ondergebracht. Wat deze burchten betekenen hebben de meeste van jullie reeds ondervonden en als niet Gods barmhartigheid en jullie macht het verhinderen, zullen allen het spoedig weten. Want niet tegen de heidenen, die ons hele grensgebied verwoest hebben [het bewaken van de grens met de naburige Wendische stammen was overigens een plicht van de Saksische markgraven, die zij dus kennelijk niet voldoende nagekomen waren] zijn zij opgericht, maar midden in ons land, waar niemand hem van plan was aan te vallen [Hendrik IV werd al vanaf 1057 in Saksen met de dood bedreigd] werden deze bolwerken bevestigd. Jullie, die en de nabijheid wonen, nemen zij met geweld eigendommen af en slepen die in deze burchten, jullie vrouwen en dochters misbruikten zij naar believen voor hun lust. Jullie knechten en zelfs jullie trekvee eisen zij naar believen voor hun dienst, ja zelfs jullie zelf dwingen zij elke last – al is het nog zo schandelijk – op jullie schouders te dragen. Maar als  ik mij in gedachten voorstel wat ons nog te wachten staat, schijnt mij alles wat jullie nu dulden nog dragelijk. Als hij namelijk zijn burchten in ons land eerst naar eigen goeddunken gebouwd en ze met bewapende krijgers en alle overige benodigdheden uitgerust heeft, dan zullen zij jullie have niet meer afzonderlijk plunderen, maar alles wat jullie bezitten zal hij jullie met één slag ontnemen, jullie goederen aan vreemden geven en jullie zelf, vrije en edele mannen als knechten laten dienen”.[13]

Onder de indruk van Otto van Nordheims toekomstvisioen van een totale onderwerping van Saksen, sloten de aanwezige Saksische edelen zich aaneen tot één groot leger, een maximus exercitus, dat onmiddellijk naar de Harzburg trok, waar Hendrik IV zich nietsvermoedend bevond. Zij brachten een eisenpakket naar voren dat door de koning ingewilligd moest worden, anders zouden zij tegen hem een gerechtvaardigde oorlog, een bellum iustum voeren.

Nog nooit waren er zulke zware beschuldigingen tegen een koning uitgesproken.[14] Hendrik IV voelde zich diep beledigd, in zijn eer aangetast[15] en sprak van “de misdaad van majesteitsschennis(crimen laesa maiestatis).[16] Hij weigerde aan de eisen van de Saksen gehoor te geven en stuurde zelfs zijn eigen raadgevers weg toen zij hierop aan bleven dringen[17]. Dat de beschuldigingen die door de Saksen tegen Hendrik IV naar voren gebracht werden fictief waren, wordt benadrukt door de schrijver van de Vita Heinrici, die spreekt van “verzonnen en bijeengeschreven misdaden, die mij misselijk zouden maken als ik ze opschreef en jou als je ze zou lezen”.[18]

[1] Sextus Amarcius, Sermones. Zie hoofdstuk….

[2] Sermones IV, 252-266. Albin bellorum, studii tedebit Athenas, /Francigenasque mares lentis girare pigebit/Spadices loris operamque citis dare glaucis./ Seque neoptolemi resipiscent dedere ludis,/ Gymnasium et peltas et cetera talia ponent./ Omnia presentis cessabunt ludicra vitae,/  Quae quisquis probat, esse dei convincitur hostes./ Nemo potest dominis pariter servire duobus./Spreta magis tribus et infesti curia regis,/ Infantis postquam visere cepundia summi:/ Haut secus ecclesiam qui veri principis aulam/ Iam visit, mundi spem respuat atque timorem./ Felix paupertas, quae nec metuis neque spera !/ Namque scrobes Stigie capient terrena inhiantes./ Uxor Loht sal facta monet, ne respiciamus.

[3] Sermones, IV, 169-200. Ut iuvenes, quorum digitos teres anulus ornat,/ Qui crispos per colla pilos vernatia iactant/ Et subtalares pictos ligulis et acutos/ Luteolis decorant spreto perone pedestri,/ Dicentes secum ‘Quid pulchra nocet dare verba ?’…Sed tu, qui patriam curas attingere veram,/ Respue opes falsas, fuge caeca negocia mundi/ Et cessa hunc atque hunc precurrere, ne cruciet te./ …Exiguo mundi monarchos clauditur antro.

Amarcius, die zijn werken waarschijnlijk in de het laatste kwart van de elfde eeuw op perkament zette, is hier aan het terugblikken. Het beeld van de monarch van de wereld die opgesloten wordt in een graf werd ook gebruikt in het gedicht op de dood van Hendrik III, Caesar, tantus es.

[4] Chron. Hildesh. 1044 in :Annalista Saxo, 1044.

[5] Poitiers. Legends and famous characters, “The Grand’Goule (legend mentioned around the XIIIth century), www.ot-poitiers.fr

[6] Weinfurter, S., Das Jahrhundert der Salier, 110. Lampert v. Hersfeld, Annales, 1057.

[7] Black-Veldtrup, M.,

[8] Rehoboa, de eerste koning van Judea, zoon van Salomo. Hij hield vast aan heidense gebruiken. Onder zijn regering werd Judea vernederd door Egypte.

[9] Lamperti institutio herveldensis eccl. Lib. II, 353. MG. SS. Rer. Germ.

[10] D HIV 283.

[11] Althoff, G., 90.

[12] Bruno, De bello Saxonico, cap. 23.

[13] Bruno, De bello Saxonico, cap. 25.

[14] Althoff, G., 18.  “Es gibt keinen zweiten mittelalterlichen Kaiser, dem auf so vielen Gebieten von so vielen Zeitgenossen so massive Vorwürfe gemacht worden sind wie Heinrich IV.“

[15] Bruno, De bello Saxonico, cap. 30.

[16] Lampert van Hersfeld, Annales, a. 1073 en Bruno, De bello Saxonico, cap. 27.

[17] Bruno, De bello Saxonico, cap. 27.

[18] Vita Heinrici IV. Imperatoris  Cap. 3, p. 16.

Geplaatst in Beschuldigingen tegen Hendrik IV, Uncategorized | Plaats een reactie