De troubadour

Wanneer we er niet zonder meer van uit willen gaan dat Hendrik IV een geboren tiran of antichrist was zoals zijn tegenstanders beweerden, dan blijft de vraag hoe het toch kwam dat deze koning in zijn leefwijze zozeer afweek van de gangbare normen[1].

Hendrik IV was een kleinzoon van hertog Willem de Grote van Aquitanië. De “eerste troubadour” hertog Willem IX was zijn volle neef en tijdgenoot. Diens kleindochter Eleonora geldt als een van de grondleggers van de hoofse cultuur, hoewel de wortels van deze cultuur nog veel verder teruggaan[2]. Geen historicus heeft in de Duitse keizer Hendrik IV ooit een Fransman of een Aquitaniër willen zien. Toch kan het veel verduidelijken wanneer we een blik over de grens werpen op zijn familie van moederszijde en hun morele overtuigingen.

In 1043 nadat koning Hendrik III de hand gevraagd had van Agnes van Poitou, de dochter van hertog Willem de Grote en gravin Agnes van Anjou, kwam er van de kant van de hervormingsgezinde geestelijkheid felle kritiek. Er werd betoogd dat dit huwelijk en de daarmee gepaard gaande Franse invloed aan het hof tot ernstige zedenverwildering zou leiden. Agnes en Hendrik III werden zozeer onder druk gezet, dat zij hun huwelijk begonnen met een daad van openbare boete, wat onder meer inhield dat alle muzikanten en jongleurs zonder betaling van het hof verjaagd werden en dat het uitgespaarde geld aan de armen geschonken werd. Het huwelijk werd niet toevallig voltrokken op 22 november, de dag van St. Caecilia, de patrones van kuisheid en gewijde muziek.

Nadat in november 1050 Hendrik IV geboren was, werd al snel duidelijk dat de troonopvolger een opvoeding zou krijgen die paste in de beste tradities van het hertogelijke Aquitaanse hof. Abt Hugo van Cluny werd benoemd tot peetvader. Hij stond aan het hoofd van het zeer invloedrijke “familieklooster”, dat door hertog Willem I van Aquitanië  was gesticht. In de op sommige punten Renaissanceachtige ideologie van Cluny stond de vrije wil van de mens, het “velle et posse” centraal[3]. De kleine Hendrik, zo zullen zijn ouders gedacht hebben, moest leren zijn eigen beslissingen te nemen. Autonoom gedrag kenmerkte ook de hertogen van Aquitanië. En het was een Franse monnik, Arnulph, waarschijnlijk de kapelaan van Agnes, die het keizerpaar kort na 1050 een handschrift met spreukwijsheden schonk, die naar alle waarschijnlijkheid bedoeld was als leidraad voor de opvoeding van de kroonprins, zoals hofkapelaan Wipo indertijd ook zijn Proverbia had opgedragen aan de jonge Hendrik III.

Nadat Hendrik IV op 6-jarige leeftijd zijn vader had verloren, was zijn moeder degene die over zijn opvoeding besliste. Zij ondervond hierbij zoveel kritiek, dat de vorsten van het rijk het nodig vonden de bijna twaalfjarige jongen, die in 1062 in het begin van zijn puberteit was, uit de invloedssfeer van zijn moeder weg te halen. Hendrik IV werd ontvoerd, Agnes uit de ouderlijke macht ontzet. “De koning begon al tot een jongeling op te groeien, maar aan het hof bekommerden de leidinggevenden zich alleen om hun eigen zaken en niemand leerde de koning wat goed of rechtvaardig was”. [4]

Bijna twintig jaar na Agnes’ komst in het Duitse rijk waren haar gewoontes nog steeds niet geaccepteerd. Omdat zij een vrouw was en een Franse, zo werd er gezegd, leek zij op haar moeder gravin Agnes van Anjou, “die evenveel minnaars had als het aantal jaren van haar leeftijd”. Agnes senior leefde gescheiden van haar tweede echtgenoot Godfried Martel. Een briefschrijver meende bisschop Günther van Bamberg voor de keizerin te moeten waarschuwen: “Niet alleen haar geslacht, maar ook haar natuurlijke aanleg, en niet alleen haar natuurlijke aanleg, maar ook haar vaderland! Want haar moeder in elk geval telt evenveel bruiloften als verjaardagen. Gezegd is genoeg, in elk geval tegen een wijze. Want is niet alleen haar leeftijd verdacht maar ook haar sekse?“[5]

Men verweet de keizerinweduwe ook dat zij zich te opzichtig kleedde. De hervormingsgezinde kapelaan Udalrich van Zell, zelf “de onmatigheid van het hof vermijdend”, vermaande haar in weinig vleiende bewoordingen dat zij haar geest moest sieren met heilige deugden in plaats van “de verwelkte bloem” van haar lichaam te “bepleisteren” met een weelde van kostbare gewaden.[6]

De maat was vol toen Agnes verliefd werd op een bisschop. Dit beweert althans Lampert van Hersfeld. “Terwijl zij haar zoon opvoedde bestuurde zij het rijk zelf en maakte vooral gebruik van de raad van Heinrich, bisschop van Augsburg. Daardoor was zij niet in staat aan de verdenking te ontsnappen van onkuise liefde, want het gerucht werd verbreid dat zij deze graad van intimiteit niet ontwikkeld konden hebben zonder zondige gemeenschap. Deze situatie stuitte op weerzin van de vorsten, namelijk toen zij zagen dat door haar persoonlijke liefde voor één man hun eigen autoriteit, die het meest gewichtig had moeten zijn in het rijk, bijna ineengeschrompeld was”. En dus hielden zij constant bijeenkomsten, hitsten de stemming in het volk op tegen de keizerin en besloten de jongen bij zijn moeder weg te halen en zelf de regering over te nemen.

Onder de voogdij van de reactionaire aartsbisschop Anno van Keulen zal Hendrik IV ongetwijfeld een strenge opvoeding gekregen hebben, maar zijn hart lag ergens anders. De andere voogd, aartsbisschop Adalbert van Hamburg-Bremen, de jarenlange huisvriend van Agnes en Hendrik III, die zeer gesteld was op de zoon van het door hem vereerde keizerpaar,  wist dat ook. Hij raadde hem aan: “het is dwaas om niet in alles de begeerten van de jeugd te bevredigen. Doe alles wat je hart bevalt, zorg er alleen voor, dat je in het ware geloof sterft”. Zo hadden de hertogen van Aquitanië het ook altijd gedaan. Hertog Willem de Grote had een flamboyant leven achter de rug, toen hij op 70-jarige leeftijd als monnik in een door hemzelf gesticht klooster stierf. En ook de hertogen Willem VIII en zijn zoon Willem IX  (1071-1126) lieten het beslist niet na de “begeerten van de jeugd te bevredigen”. Willem VIII was tot tweemaal toe gescheiden en over zijn derde huwelijk kreeg hij moeilijkheden met paus Gregorius VII. Willem IX werd in zijn vida (de anekdotes uit zijn leven) als volgt gekenschetst:

“Lo coms de Peiteus (de graaf van Poitiers) was een van de meest hoofse mensen ter wereld en een van de grootste vrouwenverleiders. Hij was een goede strijder en vrijgevig met complimenten. Hij wist goed te vinden [“trobar”, waarvan het woord troubadour is afgeleid]en te zingen, en hij trok door de gehele wereld om vrouwen te bekoren.”[7]

Dat er in de tweede helft van de 11e eeuw nog steeds anti-Franse ressentimenten  in Saksen leefden, vernemen wij van de dichter Sextus Amarcius, wanneer hij het huwelijk van de koning beschrijft:

“De Elbe van de oorlogen zal met hartstocht walgen van Athene. En zich schamen Franse hengsten in het rond te laten stappen, roodbruine en blauwe schimmels met de zweep werk te geven. [Saksen was vermaard om zijn paardenfokkerijen]. Daarna vatten de ruiters weer moed en geven zich over aan het spel. De worstelschool en schilden en dergelijke zetten ze opzij. Alle aanwezigen vallen ten prooi aan een vrolijk leven dat iedereen op de proef stelt van God te zijn, weerlegd door de vijanden. Niemand kan tegelijkertijd twee heren dienen. Door grote smaad bedreigd is de hofkliek. De hoogsten zullen daarna de rammelaar van een kind zien. Geenszins ziet het geslacht de kerk. Moge alwie de hal van de vorst straks bezoekt verwerpen de hoop van de wereld en de vrees. Gelukkige armoede die niet hoopt noch vreest! Want de greppels van de Styx houden de begerigen van de wereld vast. De vrouw van Lot werd een zoutpilaar, laten wij niet omkijken.[8]

“…de jongemannen wier vingers een gladde ring siert, die hun gekrulde haar over de jonge nek werpen en onder de enkels de bontgekleurde puntschoenen met geelachtige riempjes versieren, de hoge laarzen van het volk verachten, bij zichzelf zeggend: “Wat schaadt de schone schijn?”

“Maar jij [Hendrik IV], die je met de zorg voor het ware vaderland bezighoudt, verwerp de valse macht. Vlucht van de blinde bezigheden van de wereld… Een bekrompen monarch van de wereld wordt opgesloten in een graf[9]. IJverig en voortreffelijk ben je niet, behalve dan dat duizend ogen je zien en dat mensen zeggen : ‘Dit huwelijk (met Bertha van Turijn?) schrijdt naar het licht, dat zich kleedt in marterbont, beverhuid, elegant genaaid aan fijn linnen, grijze pelsmantel’. Zo verblindt het ontvangen van vreemdelingen velen, met kostbare kleding van rode stukken pels (gulae) en purper.”[10]

Gravin Marie van Troyes, dochter van Hendriks achternicht Eleonora van Aquitanië, liet door Andreas Capellanus  een handboek met “regels” voor de hoofse liefde opschrijven.  Het zijn 31 punten, die voor een groot deel gaan over de gevoelens van geliefden – waar in ons geval, Hendrik IV, niets met zekerheid over te zeggen valt – en voor een kleiner deel over het uiterlijke gedrag dat voor iedereen zichtbaar is. Het is interessant die laatstgenoemde aanbevelingen voor correct hoofs gedrag te confronteren met de beschuldigingen tegen Hendrik IV en met zijn historisch gedocumenteerd gedrag.

Regel 1: “Marriage is no real excuse for not loving”. Dat Hendrik IV zijn wettige echtgenote bedroog was een steeds terugkerende beschuldiging.

Regel 6: “Boys do not love until they reach the age of maturity”. Hendrik IV werd meerderjarig verklaard met Pasen 1065 op de leeftijd van 14½ jaar.  Hij was tussen de 15 en 16 jaar toen hij voor het eerst vader werd van een natuurlijke zoon, die in 1081 in Italië met officieel ceremonieel meerderjarig werd verklaard.

Regel 8: “No one should be deprived of love without the very best of reasons”. Hendrik IV beschouwde zijn liefdesleven als een recht waar niet aan te tornen viel. Noch afzetting als koning door de vorsten, noch excommunicatie door de paus kon hem ervan afbrengen.

Regel 10:  “Love is always a stranger in the home of avarice”. De enige ondeugd waarvan Hendrik IV nooit is beschuldigd was hebzucht of gierigheid, dit in tegenstelling tot zijn vader, die soms als een meedogenloze vrek werd afgeschilderd. Vriend en vijand prezen zijn gulle vrijgevigheid, vooral aan de armen.

Regel 11: “It is not proper to love any woman whom one would be ashamed to seek to marry”.  Wanneer Hendrik IV nu maar gewoon zijn zijsprongen beperkt had gehouden tot dienstpersoneel en naamloze sloofjes, zou er nooit een haan naar gekraaid hebben. Het waren echter de edele vrouwen die hij het hof maakte, afkomstig uit de hoogste adel en daarmee veroorzaakte hij grote schandalen in ogen van de Saksen:

“…unkûsce er sich underwant.

Er rait hovescen in diu lant,

Er hônde die edelen frouwen,

Die sîne liez er rouben.’[11]

[Onkuis misdroeg hij zich.

Hij reed hoofs (höfisch, courtois) door het land,

Hij bracht de edele vrouwen te schande,

De zijne liet hij roven.]

Regel 14: “The easy attainment of love makes it of little value: difficulty of attainment makes it prized”.  Hendrik IV haalde soms gevaarlijke capriolen uit om zijn doel te bereiken. Ook liet hij vrouwen schaken, wat niet ongebruikelijk was aan het Aquitaanse hof[12]. Door deze inspanningen steeg de intrinsieke waarde van zijn liefdesleven. “Wanneer hij hoorde dat iemand een jonge en mooie dochter of echtgenote had,” zegt Bruno, “beval hij haar met geweld bij hem te brengen als hij haar niet kon verleiden. Soms begaf hij zich ook zelf met een of twee begeleiders ‘s nachts  daarheen waar hij zo eentje wist. Soms bereikte hij het doel van zijn walgelijke begeerte, soms ook scheelde het niet veel of hij werd door de ouders of de echtgenoot van zijn geliefde  (sic!) vermoord”. [13]

Regel 31: “Nothing forbids one woman being loved by two men or one man by two women”.  Toen Manegold van Lautenbach met aartbisschop Gebhard van Salzburg overlegde of het mogelijk was om Hendrik IV af te zetten omdat hij geen afstand wilde doen van zijn concubines, noemde hij de namen van twee  minnaressen: Juditta en Offigia.

De conclusie lijkt gerechtvaardigd dat de gedragingen die voor de Saksen reden waren om Hendrik IV als koning af te willen zetten, volkomen geaccepteerd en zelfs voorgeschreven waren aan het Aquitaanse hof. De “misdaden” van Hendrik IV zijn door troubadours steeds weer bezongen.

“1106 Do dede de keiser eine grote schande; he hadde einen ridder by sick, de was van Schartvelde, de hadde ein schone wiff, und dar hedde de keiser gerne by gewesen; do sende de keiser den ridder over velt verne, darnach do reit de keiser jagen na der borch Schartvelde unde benachte dar unde schaffe dar sinen willen an der erbarn fruen dangk. Do de ridder wedder kam, de fruwe klage dat mit herteschwere, wat de keiser gedan hadde. Dem ridder was dut leit unde gingk tho des keisers hve; de keiser dachte wol, dat he de bosheit wuste, de he an siner fruen bedreven hadde, unde bot me scholde ohne morden; de ridder wart gewarnet, unde de bosheit kam uth, sodat de churfursten einen anderen keiser koren.”[14]

Terwijl de “eerste” troubadour hertog Willem IX van Aquitanië furore maakte, was de liedjeskoorts ook aan het hof van zijn neef Hendrik IV doorgedrongen. In de nog steeds veronachtzaamde bron Sermones van Sextus Amarcius manifesteert de keizer zich hoogst persoonlijk als zanger.

In zijn ‘aanklacht tegen de luxe’ keert de dichter Sextus Amarcius, die zijn taalgebruik ontleend heeft aan klassieke auteurs, maar die niettemin actuele gebeurtenissen beschreef, zich tegen decadente uitspattingen aan het hof van Hendrik IV, (die hij  consequent aanduidt als “patricius[15] en “herus” of “heer”). Op een zeker moment geeft Amarcius een lange beschrijving van een eetfestijn aan het hof.[16] Na de maaltijd krijgt “de furie Erinis”, ofwel het libido, de “heer” in haar macht. Terwijl hij op het bed zit, wenst hij dat een wellustig meisje….”[17] De rest van de tekst was zo compromitterend dat ze door een censor werd verwijderd. Vervolgens is het tijd voor muziek.

Een ‘iocator’ (speelman) zingt in dit verhaal een viertal liederen, waarvan er de laatste drie tevens voorkomen in de met Hendrik III geassocieerde Cambridge-liederen. Het zijn: Goliath, Suevulus, (“het Sneeuwkind”, folklore uit Zwaben), Pythagoras (de ontdekker van de harmonieleer) en Philomena, (“Nachtegaal”, een ritmisch lied van Franse origine).

Ook de “heer” zelf, die met zijn gezondheid sukkelt,  maakt muziek en bezingt de liefde. “Wee mij”, zo roept hij uit, “als ik niet door ziekte word opgejaagd, als gezwollen blaren en gekneusde ribben afwezig zijn, is mijn geest zo slecht nog niet. Jongen! Kom hier! Ken je een lierspeler, zeg, of een kundige citharist, of iemand die het plectrum harmonieert met de holle tamboerijn, een ervaren iemand, voor het geval dat het lied deze oren hier niet zal strelen, maar haast je, mijn geest fonkelt om over de liefde te zingen.”

Niemand lijkt het ooit opgemerkt te hebben, maar in de Sermones bevindt zich de tekst van een heus lied dat Hendrik IV zelf schreef en ten gehore bracht. In troubadourtermen zou men het kunnen typeren als een planh een klaaglied.

“Nu past het mij”, schreef Amarcius, “een lied te laten volgen, een deugdelijk gemaakt gezang van de Patricius [Hendrik IV] , die in die tijd, met vrolijk getokkel een lofdichter voor heel velen, zich herstelde:

“Onder hen die wegkwijnen in Speyer

               Waar de lucht ongezond is

               Vermagerde de schrale Beradon

               Met twintig ten grave gedragenen

               Het is treurig om te zeggen

               Is hij tenslotte halfdood vermengd.

                              En slaperig wist hij niet waar hij was,

               Tot eindelijk de maansikkel

als een gewijde lamp boven hem hing

Toen rondkijkend barste hij los: ‘waar ben ik?’

                              Zuchtend vanuit het hart antwoordde iemand:

               ‘Kijk naar beneden, hoe treurig wij hier liggen

               Verborgen in een urn, vermengd met de doden

               Neergeworpen ben ik hier gisteren

               En ik wanhoop.’

                              ‘Ik weet niet of je van plan bent

               Tot de aardbol terug te keren?’

               ‘Nee, omdat de wrede honger,

               Die zo woest de wereld beheerst,

               Niet aan mij voorbij zou gaan’

                              “Mij is het graf niet zo dierbaar

               Dat het mij al behaagt

               Het zieke leven te laten varen

               Zo bied ik nu mijn wang aan

               Als God zou willen

               Wat hij nu van mij wegneemt

               Menigmaal erger terug te brengen!

                              En onderwijl keerde terug

               Het vooruitgezonden morgenrood

               En de zon verdreef met rosse gloed

               Schitterende stralen voortbrengend

               De schaduwen van de nacht.

                              Deze Beradon roept: ‘Ik leef,

               En verdubbeld door de echo: ‘Ik leef,

               En niet bedreigd door de dood

               Zoals de overige verborgen manschappen,

               Weiger ik te liggen.’

                              Hierdoor stomverbaasd

               Kwamen voorbijgangers snel aanrennen

               En ziend dat hij nog ademde

               Redden zij de ongelukkige

               Uit het nabije graf”

 

[1] Althoff weet deze vraag alleen te verklaren met de invloed van aartsbisschop Adalbert van Hamburg-Bremen.

[2] Zie bijv. C.S. Jaeger, The Origins of Courtliness.

[3] Götte, Chr. 72.

[4] Annales Althahenses

[5] M.v.K Jbb I, 282. Giesebrecht III, 79,80,86,87.

[6] Ex Vita S. Udalrici prioris Cellensis, c. 5.

[7] Lurvink, P., Middeleeuwen: de opkomst van het hof als cultuurcentrum (1100-1400). www.musiversum.net  ©Peter Lurvink.

[8] Sermones IV, 252-266.

[9] Verwijzing naar het gedicht “Caesar, tantus eras”, over de dood van Hendrik III. “Keizer je was zo groot als de wereld, en nu lig je in een nauw graf”.

[10] Ibidem, IV, 169-200.

[11] Kaiserchronik, 16554-16560.

[12] Hertog Willem IX ontvoerde de echtgenote van zijn vice-graaf, Philippa, en maakte haar tot zijn concubine.

[13] Bruno, De bello Saxonico, C. 6.

[14] Geismar, H., 58.

[15] Hendrik IV, de derde keizer van die naam, was Patricius van Rome.”Henricus tercius Romane sceptiger arcis” wordt hij door Amarcius genoemd. Sermones III, 141.

[16] Sermones, I, 340-389.

[17] Tum sese in sponda vovet ut lasciva puella…” Sermones I, 390.

Advertenties

Over Ria van Loenen

Historica en tekstschrijfster, werkt aan de eerste biografie van de middeleeuwse koning en keizer Hendrik III (1039-1056), heeft een aantal essays over keizer Hendrik IV (1050-1106) geschreven en werkt aan een reconstructie van het leven van zanger en componist Marc'Antonio Pasqualini (1614-1691).
Dit bericht werd geplaatst in Beschuldigingen tegen Hendrik IV. Bookmark de permalink .

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s