Een wilde puber

Gedenk uw Schepper in uw jeugd.

Verheug u, o jongeling, in uw jeugd, en uw hart zij vrolijk in uw jongelingsjaren; ja, volg den lust van uw hart en wat uw ogen aanschouwen, maar weet, dat God u om als deze dingen in het gericht zal doen komen. Prediker 11: 9

Tum vero rex Heinricus in annis adolescentiae constitutus et eiusdem aetatis consiliariis assuetus, nobilium et maiorum contra regiam consuetudinem familiaritates horrebat, et cum morum gravitas plurimum habeat laudis in rege, – quia decet esse regem constantem, fortem, severum, magnanimum, beneficum, liberalem-, relictis senibus gravibusque personis, levibus delectabatur et pueris tam sensu quam annis; hinc actum est, ut ad vitia propensior haberetur, quia difficile quis, quod diligit, aspernatur. Coepit ergo pietatem neglegere, questibus inhiare, omnia venalia habere, studere luxuriae, et cum teneretur vinculo matrimonii, matronas tamen plurimas possidebat. Gaudebat multum consortio puerorum et maxime venustorum; sed utrum id vicio fieret, ut aliqui confinxerunt, non satis compertum erat. Illud autem manifestum est, quod uxore contempta vagus et lubricus diversis desideriis agebatur, ut susceptae adulterino concubitu soboles attestantur. Quibus rebus ad aures Ildibrandi perlatis, multorumque litteris et indiciis patefactis, cepit animus christianus habere diu incertum, quid faceret[1].

Hij begon dus de vroomheid te verwaarlozen, naar wetenschappelijk onderzoek te smachten, wilde alle koopwaar hebben, had een voorliefde voor weelde, en terwijl hij vastgehouden werd door de boeien van het huwelijk, bezat hij toch vele getrouwde gezellinnen. Hij vermaakte zich zeer in gezelschap van jongens en het meest in gezelschap van lieftalligen; maar wat hiervan  gebeurd is of wat anderen bedacht hebben was niet voldoende bewezen.

Hij werd vergezeld door andere jongelui en zij vormden een vriendengroep (“consortium puerorum”) die zich overgaf aan het dobbelspel en andere geneugten.

De Harzburg

De Harzburg lag op een lage heuvel aan de noordrand van de Harz, ongeveer 6 km ten zuidoosten van Goslar. Oorspronkelijk heette deze plek de Sacerburg[2] en tot het begin van de 10e eeuw bevond zich hier een heiligdom van Saturnus, (Grieks: Chronos) die door het Saksische volk Krodo genoemd werd. De godheid werd afgebeeld als een man die op een grote vis staat met in zijn rechterhand een pot met bloemen en in zijn linkerhand een chakrawiel. Op de plaats van dit heiligdom stichtte koning Koenraad I  in het jaar 918 een kanunnikenklooster ter ere van St. Valerius, een van de eerste aartsbisschoppen van Trier[3].

Het was Hendrik III geweest die het munster van de Harzburg verplaatste naar Goslar[4], dat wil zeggen de kanunniken, het Valeriusklooster liet hij staan. Hier werd zijn op 10 april 1055 gestorven jongste zoon Koenraad begraven. De voorliefde van Hendrik IV voor de Harzburg dateert misschien uit deze tijd. Van maart tot november 1055 verbleven Hendrik III en keizerin Agnes in Italië en zij hadden hun kinderen gedurende die tijd  in Duitsland achtergelaten. Vermoedelijk dus in de Harzburg.

We weten niet hoe Hendrik IV de dood van zijn twee jaar jongere broertje heeft beleefd, maar vergeten is hij het graf van Koenraad nooit. Zijn eigen zoontje, dat in 1070 kort na de doop stierf, werd hier ook begraven. De dood van een geliefd familielid lijkt voor de Saliers aanleiding geweest te zijn voor het stichten van kloosters en kerken. Koenraad II stichtte het klooster Limburg na de dood van zijn zoon Wolfram, Hendrik III liet een kruis van kerken bouwen rond het hart van Koenraad II en hij stichtte de kerk van Simon en Judas nadat zijn moeder in Goslar was gestorven. De dood van zijn enige broer kan dus voor Hendrik IV het motief geweest zijn om op de Harzburg iets te stichten. Ook zal hij zich bewust geweest zijn van het bekende feit dat hier een heidens heiligdom van de Saksen gestaan had en dat de Valeriuskerk een overwinning van de christelijke koningsmacht symboliseerde.

Hendrik IV, die vanaf zijn vroegste jeugd door de Saksen met de dood bedreigd was, voelde zich op deze heuvel veilig tussen de dikke muren. Zelfs wanneer hij in Goslar hof hield, bracht hij de nacht door in zijn burcht.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Parallellen

 

Das gleiche gilt für Wipos berühmten Vorwurf, Konrad und Gisela hätten 1025 von einem adeligen Kleriker namens Udalrich eine ungeheure Geldsumme, immensa pecunia, für die Verleihung des Baseler Bistums genommen. Später habe der König Reue gezeigt und das Gelübde getan, weder für ein Bistum noch eine Abtei in Zukunft Geld zu nehmen; diesem Gelübde sei er „fast gut“, pene bene, treu geblieben. Jedenfalls habe der Sohn Heinrich III. das Gelübde des Vaters stets aufs beste eingehalten und diesen so entsühnt. Auch der Zeithorizont dieser Mitteilung liegt in den vierziger Jahren des 11. Jahrhunderts und nicht in den Tagen Konrads II., wie der ständige Hinweis auf Heinrich III., den Adressaten der Konrad-Biographie, lehrt. Zugleich aber scheint der Autor selbst anzudeuten, dass derartige Zahlungen „in den weiteren Rahmen der Servitialpflicht gehörten“. Da die Neubesetzung Basels im Juni 1025 erfolgte, als Konrad II. diese Stadt Burgunds, wenn nicht schon eroberte, so doch militärisch besetzte, könnten die Zahlungen als eine  Art Kontribution oder als Vorgriff auf das bis dahin hier nicht übliche servitium regis, von Gisela vielleicht auch als Anzahlung auf ihr mütterliches Erbe verstanden worden sein. Das am 23. Juni 1025 in Basel ausgestellte Privileg für das Kloster Murbach lässt erkennen, dass der neue Bischof beträchtliche Güter, die Heinrich II. Murbach entzogen und Udalrichs Vorgänger Adalbero verliehen hatte, dem elsässichen Kloster zurückgeben musste. Aribo von Mainz und Werner von Strassburg trugen diese Transaktion mit. Es war also nicht so, dass Udalrich von Basel nur an das Königspaar zu zahlen hatte.

 

 

1070

 

So wurde die Festfeier von Mariä Reinigung in Augsburg begangen, und hierher verfügte sich – eben zum 2. Februar – auch eine Abordnung aus Constanz, um vom Könige die Genehmigung der daselbst getroffenen Vorwahl zu erbitten.

Die angesehenen Geistlichen und Laien hatten als Bischof für Ru,old’s Kirche einen dieser selbst angehörenden Geistlichen, Siegfried, welcher mit seiner Eigenschaft als Constanzer Domherr auch diejenige eines Kapelans des Königs verband, in Aussicht genommen, und sie Schlugen zu Augsburg denselben zur Bestätigung vor. Aber von Heinrich IV war als Rumold’s Nachfolger der Domherr der Magdeburger Kirche und zugleich Probst der Kirche auf der Harzburg, Karl, welcher auch durch allerlei Dienstleistungen ihm schon bisher näher verbunden war, auserwählt, so dass er den von den Constanzern ihm vorgeschlagenen Siegfried nicht annahm.

 

 

 

 

 

 

[1] Wido episcopus Ferrariensis de scismate Hildebrandi, c. III, p.536.

[2] Geismar, H., 19

[3] Geismar, H., 36.

[4] Ibidem, 53.

Advertenties
Geplaatst in Afkomst en jeugd | Een reactie plaatsen

De troubadour

Wanneer we er niet zonder meer van uit willen gaan dat Hendrik IV een geboren tiran of antichrist was zoals zijn tegenstanders beweerden, dan blijft de vraag hoe het toch kwam dat deze koning in zijn leefwijze zozeer afweek van de gangbare normen[1].

Hendrik IV was een kleinzoon van hertog Willem de Grote van Aquitanië. De “eerste troubadour” hertog Willem IX was zijn volle neef en tijdgenoot. Diens kleindochter Eleonora geldt als een van de grondleggers van de hoofse cultuur, hoewel de wortels van deze cultuur nog veel verder teruggaan[2]. Geen historicus heeft in de Duitse keizer Hendrik IV ooit een Fransman of een Aquitaniër willen zien. Toch kan het veel verduidelijken wanneer we een blik over de grens werpen op zijn familie van moederszijde en hun morele overtuigingen.

In 1043 nadat koning Hendrik III de hand gevraagd had van Agnes van Poitou, de dochter van hertog Willem de Grote en gravin Agnes van Anjou, kwam er van de kant van de hervormingsgezinde geestelijkheid felle kritiek. Er werd betoogd dat dit huwelijk en de daarmee gepaard gaande Franse invloed aan het hof tot ernstige zedenverwildering zou leiden. Agnes en Hendrik III werden zozeer onder druk gezet, dat zij hun huwelijk begonnen met een daad van openbare boete, wat onder meer inhield dat alle muzikanten en jongleurs zonder betaling van het hof verjaagd werden en dat het uitgespaarde geld aan de armen geschonken werd. Het huwelijk werd niet toevallig voltrokken op 22 november, de dag van St. Caecilia, de patrones van kuisheid en gewijde muziek.

Nadat in november 1050 Hendrik IV geboren was, werd al snel duidelijk dat de troonopvolger een opvoeding zou krijgen die paste in de beste tradities van het hertogelijke Aquitaanse hof. Abt Hugo van Cluny werd benoemd tot peetvader. Hij stond aan het hoofd van het zeer invloedrijke “familieklooster”, dat door hertog Willem I van Aquitanië  was gesticht. In de op sommige punten Renaissanceachtige ideologie van Cluny stond de vrije wil van de mens, het “velle et posse” centraal[3]. De kleine Hendrik, zo zullen zijn ouders gedacht hebben, moest leren zijn eigen beslissingen te nemen. Autonoom gedrag kenmerkte ook de hertogen van Aquitanië. En het was een Franse monnik, Arnulph, waarschijnlijk de kapelaan van Agnes, die het keizerpaar kort na 1050 een handschrift met spreukwijsheden schonk, die naar alle waarschijnlijkheid bedoeld was als leidraad voor de opvoeding van de kroonprins, zoals hofkapelaan Wipo indertijd ook zijn Proverbia had opgedragen aan de jonge Hendrik III.

Nadat Hendrik IV op 6-jarige leeftijd zijn vader had verloren, was zijn moeder degene die over zijn opvoeding besliste. Zij ondervond hierbij zoveel kritiek, dat de vorsten van het rijk het nodig vonden de bijna twaalfjarige jongen, die in 1062 in het begin van zijn puberteit was, uit de invloedssfeer van zijn moeder weg te halen. Hendrik IV werd ontvoerd, Agnes uit de ouderlijke macht ontzet. “De koning begon al tot een jongeling op te groeien, maar aan het hof bekommerden de leidinggevenden zich alleen om hun eigen zaken en niemand leerde de koning wat goed of rechtvaardig was”. [4]

Bijna twintig jaar na Agnes’ komst in het Duitse rijk waren haar gewoontes nog steeds niet geaccepteerd. Omdat zij een vrouw was en een Franse, zo werd er gezegd, leek zij op haar moeder gravin Agnes van Anjou, “die evenveel minnaars had als het aantal jaren van haar leeftijd”. Agnes senior leefde gescheiden van haar tweede echtgenoot Godfried Martel. Een briefschrijver meende bisschop Günther van Bamberg voor de keizerin te moeten waarschuwen: “Niet alleen haar geslacht, maar ook haar natuurlijke aanleg, en niet alleen haar natuurlijke aanleg, maar ook haar vaderland! Want haar moeder in elk geval telt evenveel bruiloften als verjaardagen. Gezegd is genoeg, in elk geval tegen een wijze. Want is niet alleen haar leeftijd verdacht maar ook haar sekse?“[5]

Men verweet de keizerinweduwe ook dat zij zich te opzichtig kleedde. De hervormingsgezinde kapelaan Udalrich van Zell, zelf “de onmatigheid van het hof vermijdend”, vermaande haar in weinig vleiende bewoordingen dat zij haar geest moest sieren met heilige deugden in plaats van “de verwelkte bloem” van haar lichaam te “bepleisteren” met een weelde van kostbare gewaden.[6]

De maat was vol toen Agnes verliefd werd op een bisschop. Dit beweert althans Lampert van Hersfeld. “Terwijl zij haar zoon opvoedde bestuurde zij het rijk zelf en maakte vooral gebruik van de raad van Heinrich, bisschop van Augsburg. Daardoor was zij niet in staat aan de verdenking te ontsnappen van onkuise liefde, want het gerucht werd verbreid dat zij deze graad van intimiteit niet ontwikkeld konden hebben zonder zondige gemeenschap. Deze situatie stuitte op weerzin van de vorsten, namelijk toen zij zagen dat door haar persoonlijke liefde voor één man hun eigen autoriteit, die het meest gewichtig had moeten zijn in het rijk, bijna ineengeschrompeld was”. En dus hielden zij constant bijeenkomsten, hitsten de stemming in het volk op tegen de keizerin en besloten de jongen bij zijn moeder weg te halen en zelf de regering over te nemen.

Onder de voogdij van de reactionaire aartsbisschop Anno van Keulen zal Hendrik IV ongetwijfeld een strenge opvoeding gekregen hebben, maar zijn hart lag ergens anders. De andere voogd, aartsbisschop Adalbert van Hamburg-Bremen, de jarenlange huisvriend van Agnes en Hendrik III, die zeer gesteld was op de zoon van het door hem vereerde keizerpaar,  wist dat ook. Hij raadde hem aan: “het is dwaas om niet in alles de begeerten van de jeugd te bevredigen. Doe alles wat je hart bevalt, zorg er alleen voor, dat je in het ware geloof sterft”. Zo hadden de hertogen van Aquitanië het ook altijd gedaan. Hertog Willem de Grote had een flamboyant leven achter de rug, toen hij op 70-jarige leeftijd als monnik in een door hemzelf gesticht klooster stierf. En ook de hertogen Willem VIII en zijn zoon Willem IX  (1071-1126) lieten het beslist niet na de “begeerten van de jeugd te bevredigen”. Willem VIII was tot tweemaal toe gescheiden en over zijn derde huwelijk kreeg hij moeilijkheden met paus Gregorius VII. Willem IX werd in zijn vida (de anekdotes uit zijn leven) als volgt gekenschetst:

“Lo coms de Peiteus (de graaf van Poitiers) was een van de meest hoofse mensen ter wereld en een van de grootste vrouwenverleiders. Hij was een goede strijder en vrijgevig met complimenten. Hij wist goed te vinden [“trobar”, waarvan het woord troubadour is afgeleid]en te zingen, en hij trok door de gehele wereld om vrouwen te bekoren.”[7]

Dat er in de tweede helft van de 11e eeuw nog steeds anti-Franse ressentimenten  in Saksen leefden, vernemen wij van de dichter Sextus Amarcius, wanneer hij het huwelijk van de koning beschrijft:

“De Elbe van de oorlogen zal met hartstocht walgen van Athene. En zich schamen Franse hengsten in het rond te laten stappen, roodbruine en blauwe schimmels met de zweep werk te geven. [Saksen was vermaard om zijn paardenfokkerijen]. Daarna vatten de ruiters weer moed en geven zich over aan het spel. De worstelschool en schilden en dergelijke zetten ze opzij. Alle aanwezigen vallen ten prooi aan een vrolijk leven dat iedereen op de proef stelt van God te zijn, weerlegd door de vijanden. Niemand kan tegelijkertijd twee heren dienen. Door grote smaad bedreigd is de hofkliek. De hoogsten zullen daarna de rammelaar van een kind zien. Geenszins ziet het geslacht de kerk. Moge alwie de hal van de vorst straks bezoekt verwerpen de hoop van de wereld en de vrees. Gelukkige armoede die niet hoopt noch vreest! Want de greppels van de Styx houden de begerigen van de wereld vast. De vrouw van Lot werd een zoutpilaar, laten wij niet omkijken.[8]

“…de jongemannen wier vingers een gladde ring siert, die hun gekrulde haar over de jonge nek werpen en onder de enkels de bontgekleurde puntschoenen met geelachtige riempjes versieren, de hoge laarzen van het volk verachten, bij zichzelf zeggend: “Wat schaadt de schone schijn?”

“Maar jij [Hendrik IV], die je met de zorg voor het ware vaderland bezighoudt, verwerp de valse macht. Vlucht van de blinde bezigheden van de wereld… Een bekrompen monarch van de wereld wordt opgesloten in een graf[9]. IJverig en voortreffelijk ben je niet, behalve dan dat duizend ogen je zien en dat mensen zeggen : ‘Dit huwelijk (met Bertha van Turijn?) schrijdt naar het licht, dat zich kleedt in marterbont, beverhuid, elegant genaaid aan fijn linnen, grijze pelsmantel’. Zo verblindt het ontvangen van vreemdelingen velen, met kostbare kleding van rode stukken pels (gulae) en purper.”[10]

Gravin Marie van Troyes, dochter van Hendriks achternicht Eleonora van Aquitanië, liet door Andreas Capellanus  een handboek met “regels” voor de hoofse liefde opschrijven.  Het zijn 31 punten, die voor een groot deel gaan over de gevoelens van geliefden – waar in ons geval, Hendrik IV, niets met zekerheid over te zeggen valt – en voor een kleiner deel over het uiterlijke gedrag dat voor iedereen zichtbaar is. Het is interessant die laatstgenoemde aanbevelingen voor correct hoofs gedrag te confronteren met de beschuldigingen tegen Hendrik IV en met zijn historisch gedocumenteerd gedrag.

Regel 1: “Marriage is no real excuse for not loving”. Dat Hendrik IV zijn wettige echtgenote bedroog was een steeds terugkerende beschuldiging.

Regel 6: “Boys do not love until they reach the age of maturity”. Hendrik IV werd meerderjarig verklaard met Pasen 1065 op de leeftijd van 14½ jaar.  Hij was tussen de 15 en 16 jaar toen hij voor het eerst vader werd van een natuurlijke zoon, die in 1081 in Italië met officieel ceremonieel meerderjarig werd verklaard.

Regel 8: “No one should be deprived of love without the very best of reasons”. Hendrik IV beschouwde zijn liefdesleven als een recht waar niet aan te tornen viel. Noch afzetting als koning door de vorsten, noch excommunicatie door de paus kon hem ervan afbrengen.

Regel 10:  “Love is always a stranger in the home of avarice”. De enige ondeugd waarvan Hendrik IV nooit is beschuldigd was hebzucht of gierigheid, dit in tegenstelling tot zijn vader, die soms als een meedogenloze vrek werd afgeschilderd. Vriend en vijand prezen zijn gulle vrijgevigheid, vooral aan de armen.

Regel 11: “It is not proper to love any woman whom one would be ashamed to seek to marry”.  Wanneer Hendrik IV nu maar gewoon zijn zijsprongen beperkt had gehouden tot dienstpersoneel en naamloze sloofjes, zou er nooit een haan naar gekraaid hebben. Het waren echter de edele vrouwen die hij het hof maakte, afkomstig uit de hoogste adel en daarmee veroorzaakte hij grote schandalen in ogen van de Saksen:

“…unkûsce er sich underwant.

Er rait hovescen in diu lant,

Er hônde die edelen frouwen,

Die sîne liez er rouben.’[11]

[Onkuis misdroeg hij zich.

Hij reed hoofs (höfisch, courtois) door het land,

Hij bracht de edele vrouwen te schande,

De zijne liet hij roven.]

Regel 14: “The easy attainment of love makes it of little value: difficulty of attainment makes it prized”.  Hendrik IV haalde soms gevaarlijke capriolen uit om zijn doel te bereiken. Ook liet hij vrouwen schaken, wat niet ongebruikelijk was aan het Aquitaanse hof[12]. Door deze inspanningen steeg de intrinsieke waarde van zijn liefdesleven. “Wanneer hij hoorde dat iemand een jonge en mooie dochter of echtgenote had,” zegt Bruno, “beval hij haar met geweld bij hem te brengen als hij haar niet kon verleiden. Soms begaf hij zich ook zelf met een of twee begeleiders ‘s nachts  daarheen waar hij zo eentje wist. Soms bereikte hij het doel van zijn walgelijke begeerte, soms ook scheelde het niet veel of hij werd door de ouders of de echtgenoot van zijn geliefde  (sic!) vermoord”. [13]

Regel 31: “Nothing forbids one woman being loved by two men or one man by two women”.  Toen Manegold van Lautenbach met aartbisschop Gebhard van Salzburg overlegde of het mogelijk was om Hendrik IV af te zetten omdat hij geen afstand wilde doen van zijn concubines, noemde hij de namen van twee  minnaressen: Juditta en Offigia.

De conclusie lijkt gerechtvaardigd dat de gedragingen die voor de Saksen reden waren om Hendrik IV als koning af te willen zetten, volkomen geaccepteerd en zelfs voorgeschreven waren aan het Aquitaanse hof. De “misdaden” van Hendrik IV zijn door troubadours steeds weer bezongen.

“1106 Do dede de keiser eine grote schande; he hadde einen ridder by sick, de was van Schartvelde, de hadde ein schone wiff, und dar hedde de keiser gerne by gewesen; do sende de keiser den ridder over velt verne, darnach do reit de keiser jagen na der borch Schartvelde unde benachte dar unde schaffe dar sinen willen an der erbarn fruen dangk. Do de ridder wedder kam, de fruwe klage dat mit herteschwere, wat de keiser gedan hadde. Dem ridder was dut leit unde gingk tho des keisers hve; de keiser dachte wol, dat he de bosheit wuste, de he an siner fruen bedreven hadde, unde bot me scholde ohne morden; de ridder wart gewarnet, unde de bosheit kam uth, sodat de churfursten einen anderen keiser koren.”[14]

Terwijl de “eerste” troubadour hertog Willem IX van Aquitanië furore maakte, was de liedjeskoorts ook aan het hof van zijn neef Hendrik IV doorgedrongen. In de nog steeds veronachtzaamde bron Sermones van Sextus Amarcius manifesteert de keizer zich hoogst persoonlijk als zanger.

In zijn ‘aanklacht tegen de luxe’ keert de dichter Sextus Amarcius, die zijn taalgebruik ontleend heeft aan klassieke auteurs, maar die niettemin actuele gebeurtenissen beschreef, zich tegen decadente uitspattingen aan het hof van Hendrik IV, (die hij  consequent aanduidt als “patricius[15] en “herus” of “heer”). Op een zeker moment geeft Amarcius een lange beschrijving van een eetfestijn aan het hof.[16] Na de maaltijd krijgt “de furie Erinis”, ofwel het libido, de “heer” in haar macht. Terwijl hij op het bed zit, wenst hij dat een wellustig meisje….”[17] De rest van de tekst was zo compromitterend dat ze door een censor werd verwijderd. Vervolgens is het tijd voor muziek.

Een ‘iocator’ (speelman) zingt in dit verhaal een viertal liederen, waarvan er de laatste drie tevens voorkomen in de met Hendrik III geassocieerde Cambridge-liederen. Het zijn: Goliath, Suevulus, (“het Sneeuwkind”, folklore uit Zwaben), Pythagoras (de ontdekker van de harmonieleer) en Philomena, (“Nachtegaal”, een ritmisch lied van Franse origine).

Ook de “heer” zelf, die met zijn gezondheid sukkelt,  maakt muziek en bezingt de liefde. “Wee mij”, zo roept hij uit, “als ik niet door ziekte word opgejaagd, als gezwollen blaren en gekneusde ribben afwezig zijn, is mijn geest zo slecht nog niet. Jongen! Kom hier! Ken je een lierspeler, zeg, of een kundige citharist, of iemand die het plectrum harmonieert met de holle tamboerijn, een ervaren iemand, voor het geval dat het lied deze oren hier niet zal strelen, maar haast je, mijn geest fonkelt om over de liefde te zingen.”

Niemand lijkt het ooit opgemerkt te hebben, maar in de Sermones bevindt zich de tekst van een heus lied dat Hendrik IV zelf schreef en ten gehore bracht. In troubadourtermen zou men het kunnen typeren als een planh een klaaglied.

“Nu past het mij”, schreef Amarcius, “een lied te laten volgen, een deugdelijk gemaakt gezang van de Patricius [Hendrik IV] , die in die tijd, met vrolijk getokkel een lofdichter voor heel velen, zich herstelde:

“Onder hen die wegkwijnen in Speyer

               Waar de lucht ongezond is

               Vermagerde de schrale Beradon

               Met twintig ten grave gedragenen

               Het is treurig om te zeggen

               Is hij tenslotte halfdood vermengd.

                              En slaperig wist hij niet waar hij was,

               Tot eindelijk de maansikkel

als een gewijde lamp boven hem hing

Toen rondkijkend barste hij los: ‘waar ben ik?’

                              Zuchtend vanuit het hart antwoordde iemand:

               ‘Kijk naar beneden, hoe treurig wij hier liggen

               Verborgen in een urn, vermengd met de doden

               Neergeworpen ben ik hier gisteren

               En ik wanhoop.’

                              ‘Ik weet niet of je van plan bent

               Tot de aardbol terug te keren?’

               ‘Nee, omdat de wrede honger,

               Die zo woest de wereld beheerst,

               Niet aan mij voorbij zou gaan’

                              “Mij is het graf niet zo dierbaar

               Dat het mij al behaagt

               Het zieke leven te laten varen

               Zo bied ik nu mijn wang aan

               Als God zou willen

               Wat hij nu van mij wegneemt

               Menigmaal erger terug te brengen!

                              En onderwijl keerde terug

               Het vooruitgezonden morgenrood

               En de zon verdreef met rosse gloed

               Schitterende stralen voortbrengend

               De schaduwen van de nacht.

                              Deze Beradon roept: ‘Ik leef,

               En verdubbeld door de echo: ‘Ik leef,

               En niet bedreigd door de dood

               Zoals de overige verborgen manschappen,

               Weiger ik te liggen.’

                              Hierdoor stomverbaasd

               Kwamen voorbijgangers snel aanrennen

               En ziend dat hij nog ademde

               Redden zij de ongelukkige

               Uit het nabije graf”

 

[1] Althoff weet deze vraag alleen te verklaren met de invloed van aartsbisschop Adalbert van Hamburg-Bremen.

[2] Zie bijv. C.S. Jaeger, The Origins of Courtliness.

[3] Götte, Chr. 72.

[4] Annales Althahenses

[5] M.v.K Jbb I, 282. Giesebrecht III, 79,80,86,87.

[6] Ex Vita S. Udalrici prioris Cellensis, c. 5.

[7] Lurvink, P., Middeleeuwen: de opkomst van het hof als cultuurcentrum (1100-1400). www.musiversum.net  ©Peter Lurvink.

[8] Sermones IV, 252-266.

[9] Verwijzing naar het gedicht “Caesar, tantus eras”, over de dood van Hendrik III. “Keizer je was zo groot als de wereld, en nu lig je in een nauw graf”.

[10] Ibidem, IV, 169-200.

[11] Kaiserchronik, 16554-16560.

[12] Hertog Willem IX ontvoerde de echtgenote van zijn vice-graaf, Philippa, en maakte haar tot zijn concubine.

[13] Bruno, De bello Saxonico, C. 6.

[14] Geismar, H., 58.

[15] Hendrik IV, de derde keizer van die naam, was Patricius van Rome.”Henricus tercius Romane sceptiger arcis” wordt hij door Amarcius genoemd. Sermones III, 141.

[16] Sermones, I, 340-389.

[17] Tum sese in sponda vovet ut lasciva puella…” Sermones I, 390.

Geplaatst in Beschuldigingen tegen Hendrik IV | Een reactie plaatsen

De Saksenopstand

Naar afkomst was Hendrik IV geen Saks, maar een Frank. In de Rijnsteden Worms, Mainz en Speyer was hij thuis en werd hij ook in moeilijke tijden door de bevolking gesteund en gastvrij onthaald. Zijn vader Hendrik III was een afstammeling van de Frankische hertog Otto van Worms geweest en de meeste van zijn voorouders leefden aan beide oevers van de Rijn. Zijn moeder Agnes stamde uit het oude Karolingische hertogdom Aquitanië. Zij bracht “verwerpelijke” Frankische zeden naar de Elbe[1].

Sextus Amarcius wijst er in een interessante en tot op heden in de geschiedschrijving veronachtzaamde passage op dat ook in het strijdlustige Saksen (“de Elbe van de oorlogen”) bedenkingen tegen deze “Frankische” huwelijksverbintenis bestonden (én tegen de daaruit voortvloeiende vrede). De Saksische paardenfokkerij zou concurrentie ondervinden van een nieuw paardenras, de Franse schimmel, en in plaats van serieuze gevechten (die onontbeerlijk waren voor het behalen van krijgsroem en oorlogsbuit) zouden er voortaan alleen nog “spelen” (tournooien?) plaatsvinden. “De Elbe van de oorlogen zal met hartstocht walgen van Athene. En zich schamen Franse hengsten in het rond te laten stappen, Roodbruine en blauwe schimmels met de zweep werk te geven, Daarna vatten de ruiters weer moed en geven zich over aan het spel. De worstelschool en schilden en dergelijke zetten ze opzij. Alle aanwezigen vallen ten prooi aan een vrolijk leven dat iedereen op de proef stelt van God te zijn, weerlegd door de vijanden. Niemand kan tegelijkertijd twee heren dienen. Door grote smaad bedreigd is de hofkliek van de koning. De hooggeplaatsten zullen daarna de rammelaar van een kind zien. Geenszins ziet het geslacht de kerk. Moge ieder die de hal van de vorst straks bezoekt de hoop van de wereld en de vrees verwerpen. Gelukkige armoede die niet hoopt noch vreest! Want de greppels van de Styx houden de begerigen van de wereld vast De vrouw van Lot werd een zoutpilaar, laten wij niet omkijken.[2]

Ook de “verwijfde” mode die met de Fransen zijn intrede deed, was bij Amarcius een steen des aanstoots: “…de jongemannen wier vingers een gladde ring siert, die hun gekrulde haar over de jonge nek werpen en onder de enkels de bontgekleurde puntschoenen met geelachtige riempjes versieren, de hoge laarzen van het volk verachten, bij zichzelf zeggend: “Wat schaadt de schone schijn?”

Hendrik zelf krijgt ook een veeg uit de pan. De anders zo vrome en deugdzame koning is hier een “bekrompen monarch van de wereld” en niet  “ijverig of voortreffelijk”.“Maar jij, die je met de zorg voor het ware vaderland bezighoudt, verwerp de valse macht. Vlucht van de blinde bezigheden van de wereld… Een bekrompen monarch van de wereld wordt opgesloten in een graf. IJverig en voortreffelijk ben je niet, behalve dan dat duizend ogen je zien en dat mensen zeggen :‘Dit huwelijk schrijdt naar het licht, dat zich kleedt in marterbont, beverhuid, elegant genaaid aan fijn linnen, grijze pelsmantel’. Zo verblindt het ontvangen van vreemdelingen velen, met kostbare kleding van gulae en purper.”[3]

De betekenis van de raadselachtige gulae bleef tot dusver onopgehelderd. Gulae is volgens sommigen afgeleid van het franse woord gueules, keelholtes, en het zou daarbij gaan om rode stukken pels. Deze modieuze pelsstukken worden in verschillende geschriften genoemd. Ze vormen een aanwijzing voor de invloed van de Franse mode aan het hof rond 1044, de benoeming van bisschop Azelin van Hildesheim. Deze waarschijnlijk door Agnes geïntroduceerde bisschop stak met zijn  “verwijfde kleding” en gulae vreemd af bij de eenvoudig geklede leerlingen van de Hildesheimer kathedraalschool: “Zelfs verwijfde kleding was hun zorg niet, zoals de rode stukken pels waarover de priester (Azelin) in vuur en vlam was, ze kenden geen tongen van bont en handschoenen; niet met Griekse mantels maar met zwarte lompen versierden zij zich.”[4]

Zij zouden wel eens verband kunnen houden met de in Poitiers bestaande cultus van de heilige Radegonde en in het bijzonder met het verhaal van de ‘Grand’Goule’.[5] In het ondergrondse Poitiers leefde een verschrikkelijke draak die “Grand’Goule” werd genoemd. Mensen die hem tegenkwamen werden onmiddellijk verslonden. De nonnen van de Sainte-Croix abdij smeekten Sint Radegonde om in te grijpen. De zeer moedige heilige ging op het beest af met een relikwie van het Kruis dat geschonken was door de keizer van Byzantium. Bij de aanblik van dit heilige reliek, werd het ondier geveld.

Beelden van de “Grand’Goule” werden door de straten van de stad in de processies meegedragen tijdens de Kruisdagen, drie dagen voor Hemelvaart. De inwoners van Poitiers wierpen dan met koekjes genaamd “casse-museaux”, zeggend: “Bescherm ons Grand’Goule”, “Bescherm ons voor het komende jaar.” Iets dergelijks zou misschien ook de functie van de gulae geweest kunnen zijn, een soort gelukbrengende talismannen die naar de “Grand’Goule” van Poitiers verwezen. Gueule betekent bek of muil; casser la gueule à is iemand op zijn bek slaan en museau is de snuit van een dier. Casse-musseaux wil dus zoiets zeggen als: sla de snuit (van de draak).

Zowel in vaderlijke als in moederlijke lijn stamde Hendrik IV af van de “Saxenslachter” Karel de Grote, die bij zijn agressieve verbreiding van Christendom tienduizenden Saksen had gedood. De verwachting was dat hij de “politiek” van zijn voorvaderen en in het bijzonder zijn vader Hendrik III zou voortzetten met de bedoeling het Saksische volk tot slavernij te dwingen. Men kon met zo’n kind beter geen risico nemen; hij moest gedood worden nu hij nog jong was.

In 1057 besloten de Saksische edelen korte metten met de 7-jarige te maken:

“De Saksische vorsten vergaderden op frequente bijeenkomsten over de ongerechtigheden die hen onder de keizer [Hendrik III] waren aangedaan en zij geloofden zich daarvoor geen betere genoegdoening te kunnen verschaffen dan zijn zoon de rijksregering te ontworstelen, zolang zijn jeugd een gunstige gelegenheid voor zo’n gewelddaad bood. Het vermoeden lag immers voor de hand, dat de zoon in karakter en leefwijze zoals men pleegt te zeggen, in de voetstappen van zijn vader zou treden… zij besloten de koning te doden wanneer zich ook maar een gelegenheid voordeed.”[6]

Na de dood van Hendrik III deed keizerin Agnes al het mogelijke om het de Saksische edelen met landschenkingen en restituties naar de zin te maken.[7]

Hendrik IV is geboren in de keizerpalts van het Saksische Goslar en hier bracht hij het grootste deel van zijn jeugd door. Dankzij de zilvermijn in de naburige Rammelsberg beschikte deze palts over genoeg financiële middelen om de hofhouding wel twee maanden achter elkaar te kunnen verzorgen. Het moet een naargeestige plek geweest zijn voor een gevoelig kind. Het hier in het middelgebergte altijd kouder dan in het omliggende land en de sneeuw viel al vroeg in het jaar. De lucht was vervuld van houtrook door de aanwezigheid van de vele kolenbranderijen, die brandstof leverde voor de ertsindustrie. De ertskarren van de mijnwerkers ratelden met veel lawaai over de keien. Alles in Goslar draaide om de mijn.  De palts was een enclave in vijandelijk gebied, omringd door donkere wouden, vol wilde dieren en heksen. Als een voortdurend memento mori was in de tegenoverliggende kerk het hart van Hendriks vader begraven, naast het graf van een van zijn jonggestorven zusters.

Op 11 november 1065 kon Hendrik hier zijn 15e verjaardag vieren. De jonge koning had grote plannen, die hem werden ingefluisterd door vice-dominus Benno, de beheerder van de palts, en door aartsbisschop Adalbert, aan wie hij kort tevoren nog omvangrijke privileges geschonken had. In Saksen moest de rechtsorde worden hersteld.

Hendrik IV was zich van zijn afkomst bewust en hij beschouwde Karel de Grote als zijn voorbeeld. Het werd zijn ideaal het rijk en de gebruiken van de grote Karel in ere te herstellen.

Heinricus, cum ad maturam venisset aetatem, relicto episcopo [Anno], secundum propriam vixit voluntatem, promittensque Karolum Magnum suo seculo sese representaturum, Roboam[8] se representatavit. Anno curiae se abdicavit ideo, in ocia se recipiens. Adelbertus Bremensis archiepiscopus loco eius non industriae, substituitur.[9]

 

Via een oorkonde voor het Mariastift te Aken liet hij in 1076 proclameren: antecessorum nostrorum regum seu imperatorum exemplis didicimus, quantumhonoris et utilitatis regibus contulerit et negaverit honor et status ecclesiarum ab eisdem regibus servatus et adauctus, neglectus et minutus. Ut enim de bonis sumamus exempla, sic magni Karoli imperatoris dive memorie consuevit facere prudentia, qui ecclesias fundavit, fundatas prediis ditavit, honore ampliavit, religion dilatavit: in cuius dilatatione quantum honoris et commodi sibi et regno contulerit, magni  nominis eius fama in universali adhuc servat ecclesia. Cuius meritorum et virtutis commemoratio procul dubio successsorum est edificatio; quem et nos pro posse dei adiutorio imitari cupientes, eius exemplo re nostras ampliari et regni statum dilatari credimus, sie eius exemplo … religionem ecclesiarum servare voluerimus[10].

 Vanaf 1065(?) Hendrik IV laat zes nieuwe burchten bouwen rondom het koningsgoed in de Harz.

1066 Aartsbisschop Adalbert door de vorsten ten val gebracht. 13 juli (Dag van de “kuise” heilige keizer Hendrik II):  Hendrik IV wordt tegen zijn wil uitgehuwelijkt aan Bertha van Turijn.

1070 Otto von Nordheim wordt ervan beschuldigd een aanslag op Hendrik IV te hebben voorbereid.

1073-1075 Saksenopstand.

Aanleiding – maar geen structurele oorzaak – tot de uitbarsting van het conflict was een hofdag op het feest van de apostelen Petrus en Paulus (29 juni) in Goslar, waartoe Hendrik IV de bisschoppen, hertogen en graven had uitgenodigd. Volgens Bruno zou de koning echter de hele dag niemand te woord gestaan hebben, maar de deuren van zijn kamer gesloten hebben gehouden, waar hij “met zijn kruiperige hovelingen het dobbelspel en andere onnutte dingen bedreven” zou hebben, “onbekommerd erover dat hij zoveel belangrijke mannen voor zijn deur liet wachten alsof zij de nederigste knechten waren. Zo verging de hele dag, zonder dat hij zelf of een bode, die de waarheid bericht zou hebben naar buiten kwam. Toen het al nacht geworden was, kwam een van zijn hovelingen naar buiten en vroeg de vorsten honend, hoe lang zij daar nog wilden wachten, daar de koning al door een andere deur naar buiten gegaan was en in snelle rit naar zijn burcht ijlde. Toen geraakten allen over de smadelijk hoogmoedige behandeling van de koning dermate in opwinding, dat zij hem nog in dat uur zonder schuwheid openlijk de trouw opgezegd zouden hebben, als niet markgraaf Dedi dankzij zijn wijsheid hun toorn bezwicht  had.” Dat Hendrik IV een hofdag voor het hele rijk georganiseerd zou hebben en vervolgens de hele dag niemand van de edelen te woord zou hebben gestaan, lijkt ongeloofwaardig. Het ging om een aparte groep Saksische edelen, die wist door te dringen tot zijn privé-vertrekken. Het is twijfelachtig of het gebruikelijk en toegestaan was om zich op een dergelijke manier toegang tot de koning te verschaffen[11]. Hendriks reactie toont wel dat hij geschrokken was van deze inbreuk in zijn privé-sfeer. Hij verliet de palts van Goslar door een andere uitgang en begaf zich met grote haast naar zijn burcht (waarschijnlijk de Harzburg) –  vermoedelijk omdat hij het niet meer veilig vond de nacht in Goslar door te brengen. Dit zegt meer over het provocatieve karakter van het optreden van de Saksen dan over dat van de koning.

De Saksische edelen, die nog dezelfde nacht gezamenlijk gezworen hadden “liever te sterven dan een leven in smaad en schande te leiden”[12] riepen nu hun stamgenoten op tot een bijeenkomst in Hoetensleben. Hertog Otto van Northeim, zelf eigenaar van de grootste burcht van Saksen, de Diesenburg bij Paderborn, hield volgens Bruno de volgende toespraak, waarin het een somber beeld schetste, van wat naar zijn mening de koning van plan was te doen:

De onbillijkheid en smaad, die onze koning al sinds lang over ieder van jullie gebracht heeft, zijn groot en ondraaglijk; maar wat hij zich voorgenomen heeft te doen, als de almachtige God het toelaat, is nog veel groter en zwaarder. Sterke burchten heeft hij, zoals jullie weten, in grote getale [het ging in werkelijkheid om zes burchten] op van nature vaste plaatsen opgericht en tamelijk beduidende krachten van zijn vazallen met alle soorten wapens rijkelijk voorzien erin ondergebracht. Wat deze burchten betekenen hebben de meeste van jullie reeds ondervonden en als niet Gods barmhartigheid en jullie macht het verhinderen, zullen allen het spoedig weten. Want niet tegen de heidenen, die ons hele grensgebied verwoest hebben [het bewaken van de grens met de naburige Wendische stammen was overigens een plicht van de Saksische markgraven, die zij dus kennelijk niet voldoende nagekomen waren] zijn zij opgericht, maar midden in ons land, waar niemand hem van plan was aan te vallen [Hendrik IV werd al vanaf 1057 in Saksen met de dood bedreigd] werden deze bolwerken bevestigd. Jullie, die en de nabijheid wonen, nemen zij met geweld eigendommen af en slepen die in deze burchten, jullie vrouwen en dochters misbruikten zij naar believen voor hun lust. Jullie knechten en zelfs jullie trekvee eisen zij naar believen voor hun dienst, ja zelfs jullie zelf dwingen zij elke last – al is het nog zo schandelijk – op jullie schouders te dragen. Maar als  ik mij in gedachten voorstel wat ons nog te wachten staat, schijnt mij alles wat jullie nu dulden nog dragelijk. Als hij namelijk zijn burchten in ons land eerst naar eigen goeddunken gebouwd en ze met bewapende krijgers en alle overige benodigdheden uitgerust heeft, dan zullen zij jullie have niet meer afzonderlijk plunderen, maar alles wat jullie bezitten zal hij jullie met één slag ontnemen, jullie goederen aan vreemden geven en jullie zelf, vrije en edele mannen als knechten laten dienen”.[13]

Onder de indruk van Otto van Nordheims toekomstvisioen van een totale onderwerping van Saksen, sloten de aanwezige Saksische edelen zich aaneen tot één groot leger, een maximus exercitus, dat onmiddellijk naar de Harzburg trok, waar Hendrik IV zich nietsvermoedend bevond. Zij brachten een eisenpakket naar voren dat door de koning ingewilligd moest worden, anders zouden zij tegen hem een gerechtvaardigde oorlog, een bellum iustum voeren.

Nog nooit waren er zulke zware beschuldigingen tegen een koning uitgesproken.[14] Hendrik IV voelde zich diep beledigd, in zijn eer aangetast[15] en sprak van “de misdaad van majesteitsschennis(crimen laesa maiestatis).[16] Hij weigerde aan de eisen van de Saksen gehoor te geven en stuurde zelfs zijn eigen raadgevers weg toen zij hierop aan bleven dringen[17]. Dat de beschuldigingen die door de Saksen tegen Hendrik IV naar voren gebracht werden fictief waren, wordt benadrukt door de schrijver van de Vita Heinrici, die spreekt van “verzonnen en bijeengeschreven misdaden, die mij misselijk zouden maken als ik ze opschreef en jou als je ze zou lezen”.[18]

[1] Sextus Amarcius, Sermones. Zie hoofdstuk….

[2] Sermones IV, 252-266. Albin bellorum, studii tedebit Athenas, /Francigenasque mares lentis girare pigebit/Spadices loris operamque citis dare glaucis./ Seque neoptolemi resipiscent dedere ludis,/ Gymnasium et peltas et cetera talia ponent./ Omnia presentis cessabunt ludicra vitae,/  Quae quisquis probat, esse dei convincitur hostes./ Nemo potest dominis pariter servire duobus./Spreta magis tribus et infesti curia regis,/ Infantis postquam visere cepundia summi:/ Haut secus ecclesiam qui veri principis aulam/ Iam visit, mundi spem respuat atque timorem./ Felix paupertas, quae nec metuis neque spera !/ Namque scrobes Stigie capient terrena inhiantes./ Uxor Loht sal facta monet, ne respiciamus.

[3] Sermones, IV, 169-200. Ut iuvenes, quorum digitos teres anulus ornat,/ Qui crispos per colla pilos vernatia iactant/ Et subtalares pictos ligulis et acutos/ Luteolis decorant spreto perone pedestri,/ Dicentes secum ‘Quid pulchra nocet dare verba ?’…Sed tu, qui patriam curas attingere veram,/ Respue opes falsas, fuge caeca negocia mundi/ Et cessa hunc atque hunc precurrere, ne cruciet te./ …Exiguo mundi monarchos clauditur antro.

Amarcius, die zijn werken waarschijnlijk in de het laatste kwart van de elfde eeuw op perkament zette, is hier aan het terugblikken. Het beeld van de monarch van de wereld die opgesloten wordt in een graf werd ook gebruikt in het gedicht op de dood van Hendrik III, Caesar, tantus es.

[4] Chron. Hildesh. 1044 in :Annalista Saxo, 1044.

[5] Poitiers. Legends and famous characters, “The Grand’Goule (legend mentioned around the XIIIth century), www.ot-poitiers.fr

[6] Weinfurter, S., Das Jahrhundert der Salier, 110. Lampert v. Hersfeld, Annales, 1057.

[7] Black-Veldtrup, M.,

[8] Rehoboa, de eerste koning van Judea, zoon van Salomo. Hij hield vast aan heidense gebruiken. Onder zijn regering werd Judea vernederd door Egypte.

[9] Lamperti institutio herveldensis eccl. Lib. II, 353. MG. SS. Rer. Germ.

[10] D HIV 283.

[11] Althoff, G., 90.

[12] Bruno, De bello Saxonico, cap. 23.

[13] Bruno, De bello Saxonico, cap. 25.

[14] Althoff, G., 18.  “Es gibt keinen zweiten mittelalterlichen Kaiser, dem auf so vielen Gebieten von so vielen Zeitgenossen so massive Vorwürfe gemacht worden sind wie Heinrich IV.“

[15] Bruno, De bello Saxonico, cap. 30.

[16] Lampert van Hersfeld, Annales, a. 1073 en Bruno, De bello Saxonico, cap. 27.

[17] Bruno, De bello Saxonico, cap. 27.

[18] Vita Heinrici IV. Imperatoris  Cap. 3, p. 16.

Geplaatst in Beschuldigingen tegen Hendrik IV, Uncategorized | Een reactie plaatsen

Het regentschap van keizerin Agnes

Het Ottoonse rijk had de vorm van een “consensusheerschappij”. In allerlei vormen van beraadslaging stelden koning en vorsten gezamenlijk vast wat er moest gebeuren. Een van de ernstigste en frequentste verwijten die Hendrik IV gemaakt werden, was dat hij zich niet of door verkeerde personen had laten beraden. [1]

Dit was niet alleen maar de schuld van Hendrik IV want het probleem van de raadgeving was niet nieuw. Al jaren voordat Hendrik IV zelfstandig begon te regeren, was het Ottoonse model aan het verdwijnen en werd er geëxperimenteerd met nieuwe, meer centralistische bestuursvormen. Hendrik III kreeg nog in de jaren tussen 1040 en ’50 meermaals het verwijt dat hij zich teveel  en door bijna iedereen liet beraden, wat tot een onduidelijke koers moest leiden. Hij droeg echter al veel bevoegdheden over aan de aartsbisschoppen van Keulen en Hamburg-Bremen en aan zijn “vice-dominus” Benno die het paleiscomplex te Goslar financieel bestuurde en tevens op religieus gebied als  inquisiteur optrad.

Keizerin Agnes werd bekritiseerd omdat zij teveel macht in handen gaf van één raadsheer, namelijk bisschop Hendrik van Augsburg, die tevens de opleiding van de jonge Hendrik IV voor zijn rekening nam[2]. Zij creëerde een nieuw ambt, dat van de palatio praesidentes.[3] Het leidde tot felle reacties van heren die zich gepasseerd voelden, wat tenslotte culmineerde in de ontvoering van Hendrik IV.

Recent onderzoek heeft aannemelijk gemaakt dat Agnes op 22 november 1061 de weduwesluier aannam. Dit is vijf jaar na het overlijden van Hendrik III, wiens sterfdag op 5 oktober 1061 herdacht werd met de plechtige inwijding van de dom te Speyer. Hendrik IV werd op 11 november 1061 elf jaar oud, was daarmee in zijn twaalfde levensjaar en volgens de maatstaven van die tijd geen kind meer. Voor Agnes leek dit een goed moment om zich wat meer op de achtergrond te houden. 22 november, St. Caecilia was de dag waarop Hendrik III  en Agnes in 1043 met elkaar getrouwd waren.

Na de sluieraanname nam de kritiek op Agnes zelfs nog toe. Bonizo, een aanhanger van Hendrik IV schreef in het Liber ad Amicum, “Intussen hielden de aartsbisschoppen, bisschoppen, abten, hertogen en graven van de Teutonici hun eigen rechtszitting, waar zij besloten dat de keizerin van toen af in de kleren van een privaat persoon zou moeten leven, want zij oordeelden dat het ambt niet het oordeel van een vrouw verdiende, zowel omdat zij een monnik (non?) was en het niet gepast was voor haar om wereldlijke zaken te dienen en omdat hun heer (Hendrik) al beschouwd werd alsof hij de volwassen leeftijd bereikt had. En bij algemeen besluit decreteerden zij dat de eerbiedwaardige Anno, aartsbisschop van Keulen, het regentschap zou uitoefenen over koning en koningin; en Wibert verwerpend stelden zij Gregorius van Vercelli aan als kanselier van het Italiaanse koninkrijk”.[4] De anonieme biograaf van Hendrik IV bevestigt dat  de moeder van haar zoon beroofd werd, “zij gaven als reden dat het niet gepast was dat het rijk bestuurd werd door een vrouw, hoewel over vele koninginnen te lezen is dat zij koninkrijken bestuurd hebben met mannelijke wijsheid.[5]

Agnes beschikte over enorme bezittingen die zij van haar echtgenoot ten geschenke had gekregen. Nergens wordt vermeld of zij zelf een belangrijke  bruidschat had meegebracht.  Bij het huwelijk schonk Hendrik haar verscheidene landgoederen.[6] Op 30 november 1043 kreeg Agnes van hem de burcht Scheidungen) aan de Unstrut bij Naumburg. Eveneens op 30 november 1043 te Ingelheim ontving Agnes het door Hendrik (van zijn moeder Gisela) geërfde landgoed Cholibez (Kölbigk) . Met kerstmis 1043 in Trier kreeg Agnes de beroemde abdij St. Maximin ten geschenke, met de bepaling dat de aartsbisschop van Trier verplicht was tot hofdienst aan de koningin. De echtheid van deze oorkonde is overigens omstreden. Op 18 januari 1044 schonk Hendrik haar de volgende landgoederen die hij geërfd had: Dietfurt, Wettelsheim,en Pappenheim aan de Altmühl bij Eichstädt. In 1046 volgde er een nieuwe golf van geschenken, landgoederen die Hendrik uit de nalatenschap van Ekkehard van Meissen gekregen had. Het betrof een landgoed in Izzolani in de gouw Weytaha in de graafschap van Ekkehard van Meissen[7] het landgoed Wirena in de gouw Wetereiba in de graafschap Malstad van graaf Bertoldus[8];  een landgoed dat markgraaf Ekkehard bezat in de burchtvoogdijen Rochidez en Lisnich en in de burchtvoogdijen Grobi en Bolechma en een in de burchtvoogdij Choldistsch (Colditz) in de Mark Meissen [9]; de hoeve Gamundium in het bisdom Terdunensus[10]; een hoeve genaamd Marin in het bisdom Terdunensus.

Alleen van deze schenkingen zijn de bijbehorende oorkonden bewaard gebleven. Het lijdt echter geen twijfel dat Hendrik haar nog veel meer gaf. Uit de schenkingen die zij zelf deed na de dood van haar gemaal blijkt dat zij bezittingen had in de Harzgau, de Hessengau, Deleminzegau, Lahngau, Gau Engern, Gau Schwalbfeld, Schwabengau, Wetterau, Mark Meissen, Moezelgebied, Neder-Oostenrijk, Beierse Oostmark, de Nordgau en Italië[11].

Behalve dit landbezit beschikte Agnes ook over kostbare kleding en een schat aan juwelen. De kledij van Agnes en Hendrik beïnvloedde het modebeeld van hun tijd. De byzantijnse stijl bleef “in”, maar in plaats van de zakachtige gewaden van hun voorgangers droegen zij nauwsluitende kleren die de lichaamsvormen benadrukten[12]. Hiermee vestigden zij de aandacht op hun “schone gestalte”.  Agnes droeg diverse sieraden, zoals blijkt uit de zogeheten “Mainzer schat van koningin Agnes”.[13] Deze bestaat uit ringen, fibula’s, meerdere halve maanvormige oorhangers,  en spelden waarmee een sluier aan het haar kan worden bevestigd. Het meest opvallend waren een buitengewoon fraaie en kostbare juwelenkraag met bijpassende borstbedekking, die een imitatie vormden van de byzantijnse keizerlijke insignes  loros en maniakion.

Agnes had een speciale theologie-leraar, de later heilig verklaarde Ulrich van Zell, een neef van bisschop Nitker van Freising (1039-1052), die in zijn jonge jaren kapelaan was aan het hof van zijn peetoom Hendrik III. Dit hof werd door de biograaf van Ulrich vergeleken met dat van Nebukadnezar, waar de jonge heilige bijna als een gevangene leefde. Hij die eeuwige kuisheid had gezworen[14], leed zeer onder alles wat hij in de omgeving van de keizer te zien kreeg. Agnes streefde ernaar van zijn vroomheid te leren.[15] Zij voelde zich aangetrokken tot zijn beminnelijkheid en de “zoetheid van zijn manieren’, wat betekent dat Ulrich er ondanks zijn vroomheid en ascese hoofse manieren op na hield.

Kapelaan Ulrich van Zell leerde haar “de onmatigheid van begeerten aan het hof vermijdend”, in weinig vleiende bewoordingen hoe zij haar geest moest sieren met heilige deugden in plaats van “de verwelkte bloem” van haar lichaam te “bepleisteren” met de weelde van kostbare gewaden.[16]

In de laatste jaren van haar leven wijdde Agnes zich geheel aan het geloof en gaf zij al haar bezittingen weg. Aan het klooster Monte Cassino gaf zij bijvoorbeeld het volgende:

“schitterende geschenken, te weten een kazuifel (“planetam diaspram”), geheel aan alle kanten met goud bedekt; een wit zijden kleed (“alba”), vanaf hoofd en schouders, bij de handen met een rand mooi versierd, bij de voeten met een brede, ellenlange zoom; een bovenkleed (“amicta”) met borststuk (“brusto”), twee purperen mantels (“pluviales”) versierd met gouden zomen; een verscheurde lap met gouden zomen om voor grote altaren te hangen[17]; een grote Griekse mantel (“pallium”) met olifanten, die dorsale genoemd wordt; een evangelieboek versierd met gedraaid zilver en zeer mooie gouden opschriften en ook twee zilveren gedraaide kandelaars van 12 pond.”[18]

Petrus Damiani beschreef haar aankomst in Rome nadat zij afstand gedaan had van haar aardse bezittingen: “Haar kleed was zwart en van wol, haar rijdier een slecht paard, nauwelijks zo groot als een ezel. Op haar hoofd lag een sluier; een zak verving het purper, een psalterium nam de plaats van de scepter in. De tere hals, waar vroeger een ketting met goudplaatjes en roodachtig glanzende parels hing, werd nu stuk geschuurd door de ruwe kraag van het wollen kleed.”

Twee brieven van keizerin Agnes:

  1. Keizerin Agnes verzoekt abt Hugo van Cluny haar gestorven gemaal op te nemen in de dodenherdenking van het klooster en verzoekt om bijstand voor de troonopvolger (Hendrik IV). (na 5 oktober 1056)

Dilectissimo patri et omni acceptione digno HV(goni) abbati A(gnes), quaequae modo Deo iubente sit, salute et deuotem obsequium.

Quia in luctum versa est cithara mea, pro gaudio gemitum, pro exulta-tione, quam litterae uestrae fecerant, refero lamentabilem planctum. Cor tamen merore tabidum refugit ex toto referre. Quapropter et quia uelox fama malorum, ut credo, meum uobis dolerem nuntiauit, precor, ut dominum meum, quem diutius in carne seruare noluistis, saltim orando cum uestro conuentu defunctum Deo commendetis, filiumque uestrum diu sibi heredem fore ac Deo dignum obtineatis, et turbas, si quae contra eum in uestris uicinis partibus regni sui oriuntur, etiam consilio sedare studeatis. Vale, pater.

  1. Keizerin Agnes verzoekt Abt Albert en het convent van Fruttuaria om opgenomen te worden in hun gemeenschap en beveelt zich aan bij hun voorbede.

A(gnes) imperatrix et peccatrix A(lberto) patri bono et fratribus in Fructuaria congregates in nomine Domini seruitutem ancillae, cuius oculi in manibus dominae suae sunt.

Conscientia mea terret me peius omni larua omnique imagine; ideo fugio per sanctorum loca, quaerens latibulum a facie timoris huius. Ne minimum desiderium est mihi ueniendi ad uos, de quibus comperi, quia uestra intercession certa salus est. Sed nostrae profectiones in manu Dei sunt et non in nostra uoluntate. Interim uero mente adoro ad pedes uestros,rogans, ut Gregoriana pietate in traianum petatis mihi ueniam a Domino: quia namque ille unus homo ab inferni claustris exorauit paganum, multi uos facile saluabitis christianam unam. Quodsi decreueritis, peto, ut in signum pietatis societatem et fraternitatem uestram mandetis et mittatis mihi quam primum.

Rogo etiam, ut paruum, quod mitto, munusculum admonitionis signum suscipere dignemini, quatenus credam, quia de me curare inceperitis. Valete; et tu pater bone, diligenter commenda me spiritalioribus fratribus de coenobiis atque cellis, ut faciant me participem in orationibus et ieiuniis atque omnibus benefactis suis.

Emotionele uitbarstingen van Agnes zijn ook op andere plaatsen geregistreerd. Zij kon tekeer gaan als “een razende furie”[19]. Zij was soms koppig en eigenwijs.[20] Zij barstte in tranen uit toen een tafel met de relieken van St. Remaclus bezweek en een bediende hierdoor een been brak[21].

Bij een andere gelegenheid verklaarde zij zich tegenover Gisolf van Salerno bereid “honderd pond goud en een vinger” te offeren om een gevangen vriend, graaf Maurus van Amalfi, vrij te kopen[22]. Of de vinger van Agnes werkelijk afgehakt werd vermeldt het verhaal niet, maar duidelijk is dat zij in staat was heel ver te gaan in haar fanatieke bereidheid tot offers.

Eodem tempore Agnes imperatrix huiusmodi seditiones iam diu sedare summopere contendens, exitu felici XVIIII. Kal. Ianuarii diem ultimum clausit. Que duodeviginti ex quo sacro velamine consecrata est annis, regia gloria et una vitae mundanae voluptuosis deliciis pro regno Dei spretis, vitae religiose stadium certatim aggresa est. Psalmodiae et orationibus die ac nocte indefessa semper institit; carnem suam cum viciis et concupiscentiis, utpote que Christi revera secutrix fuerit, semet ipsa verissime abnegata, sedula nimis crucifixit. Ipsi quippe cum desiderabili cordis compunctione lacrimae sibi divinitus date panes fuerunt sine intermissione; sic cum Ezechia semper recogitans omnes annos vitae in tanta amaritudine animae suae. Quanto enim magna fuit in seculi magnalibus, tanto se humiliavit in omnibus. Unde respexit ad humilem et spitritu pauperculam Spiritus sanctus. Regiis insignibus depositis et in pauperes Christi et aecclesias dispertitis, vilibus usa est vestimentis, illud maxime non in hoc solummodo sed in omnibus attendens, ut ne quid nimis sit. Cottidianis confessionibus non solum operum, verum quoque cogitationum inordinatarum nec non insomniorum, sese sui in principio accusatrix expurgare solita est. Ipsa quippe magistros oboedientiarios, quos pre caeteris religiosiores et prudentiores noverat, semper individuos secum sollertissima habebat, quorum cottidiana lectione, collatione, disciplina et contuitione salutari discretissime se undique premuniri cupiebat. Quicquid enim illi oneris per oboedientiam imponerebant, sine mora Deo subdita voluntativa satis supportabat. Ieiunia illius simplicia et non supersticiosa, victus modestus et satis sobrius et mirabiliter temperatus erat, et ad mensulam eius semper ex divinis recitabatur lectio, que fuerit etiam cibus et delectabilis anime refectio. Illic conviva Christus semper in pauperibus officiose procurabatur.Fecit namque sibi amicos de mammona iniquitatis, ut cum deficeret, in aeterna eam tabernacula reciperent. Quicquid enim de suis habere poterat patrimoniis, que amplissima tantae personae responderant, preter manifestas necessistates, cottidie in huiusmodi studiose disperserat. Balnearum fomenta et plumarum molliciem omnino devitabat. Stratum eius frequentius terra fuit, seu quid aliud de durioribus, psiathio, tapetio sive paleis rarissimis preparata; et cum paulisper fragile corpusculum dormitiuncula rapta reficeret, ilico ad vigilias orationesque solitas nimis inpigerrima fervebat. Cui Christus in corde, psalmus verbumque illius semper in ore sonuit. Quid tunc sibi laboris insumpserit, ipse solus testis et conscius est, cum quo tam intime conversata est. Omnes suos tam ultra modum diu noctuque laborando convicerat, in vestimentis pauperum manibus suis consuendis, ipsisque pauperibus sordidulis, sed pre caeteris scabiosis, leprosis, ulcerosis, sanie profluenti tabidis sive qualibet passione fetidis, accuratissime balneandis, confovendis, vestiendis, visitandisque operosa Christo ministraverit, et omnibus servis Dei se tota humilitate humanissimam exhibuerit et liberalem omnimodis, chorus huiusmodi et turba per terras in id ipsum conclamitans, predicare non quiescit. Quippe omnibus ubicumque per ecclesias aut monasteria vitae religiosae personis, qualitercumque largitatis suae impendiis communicare conabatur, et sic privatim et communiter fraternitatis eorum et orationum memorias sedullisima participabat. Hereticis autem et ypocritis, ut absque personarum acceptione magnae in omnes libertatis et invectionis erat, nimis aspera, auctoritate et coargutione magisteriali satis infesta resistebat, et maxime nicolaitis et symonianis. Primum namque cum a nonnulis regni primatibus obnixe rogaretur, ob filii sui puerilia dehinc vero iuvenilia errata coercenda seu temperanda, ut in Theutonicis partibus monitrix illius et correctrix materna disciplina et libertate caeteris sollertior et familiarior moraretur, aliquantisper  consensit. Demum vero cum filio suo eiusque a secretis tantotiens commonitis et omni arte et ingenio coargutis, obiurgatis, obsecratis oportune pariter et importune, et nec minimum quid propterea correctis, immo potius deteriora molientibus, omnino abhominabilis nec non etiam gravis ad videndum fieret, tot insolentias, rapinas, invidias, repugnantiam, vecordias et multifarias eorum insanias diutius pati recusans, se Romam ad sanctum Petrum et tot sanctorum contubernia cum omnibus suis ex toto contulerat. Illic quicquid de bonis suis habere poterat, in usus pauperum cottidi expenderat, et sic vitae sanctae et religiosae provectu in dies se semper in anteriora extendens et posteriora obliviscens, supernae vocationis bravium legitime certando cursumque sonsummanda, ibidem triumphaliter et glorianter persecuta est. Cum autem pro tot magnificis vitae tam beatissimae remunerandae pietatibus tempus instaret, febrium languarore letaliter ultra solitum arrepta, quarum intemperantiam ipsa medicianalis artis non imperita ante multotiens mitigare consueverat, per dies XIIII semper horas viribus corporis diminutis, mentis autem in Christo gratiosius amplificatis et corroboratis, egerrime multum defecti et contabuit. Postremo cum ad usque finem perventum est, bonis illius iam ab ea in usus pauperum et aecclesiarum discretissime dispositis, convocatis ad se in primis domno apostolico, cunctis fidelium suorum et amicorum personis carissimis, quibus ultimum vale faciens, aimam sum commendaverit, et omnibus suis prout desideravit ordinatis, communicata dehinc devotissime eucharistia, cum caeteris orantibus et psallentibus et ipsa una psallens et gratias agens, in manus Dei et sanctorum Petri et Pauli spiritum suum exultanter commendavit. Tandem domnus apostolicus exequialibus officiis, missarum sollemniis, elemosinis, vigiliis quoque per aliquot dies sollemniter pro anima illius celebratis, in aeccelsia sancte Petronellae, que Vaticanum Appolinis appellatur antiquitus, iuxta altare dominicum, ad latus scilicet sancte Petronellae, sacrum Agnetis imperatricis apostolica sua indulgentia et absolutione tantotiens a peccatis remisse corpusculum, in sarophago consignatum, cum ymnis et laudibus totius sanctae Romanae aecclesiae in id ipsum consonantibus dignater sepelivit.

 

(Bertholdi Chronicon (Forma secunda)), 182-188

In deze tijd, op de 14e december, besloot keizerin Agnes, die al lang haar uiterste best deed dit soort opschudding te bezweren, haar leven met een zalig einde. Nadat zij met de heilige sluier gewijd was, volgde ze de loopbaan van een religieus leven ernstig gedurende 18 jaren. Zij streefde, de koninklijke eer en de zinnelijke vreugden van het wereldlijke leven verachtend, naar het rijk Gods. Dag en nacht gaf zij zich onvermoeibaar over aan psalmengezang en gebed; haar lichaam met zijn fouten en begeerten kruisigde zij uiterst vlijtig als een ware navolgster Christi, nadat zij zich waarachtig zelf verloochend had. Naast de wenselijke doorboring van haar hart waren namelijk de door God geschonken tranen ononderbroken haar brood, terwijl zij met Ezechias tijdens haar leven voortdurend in zo grote bitterheid haar ziel gedacht. Want hoe groter de heerlijkheid van de wereld was, des te meer vernederde zij zich in andere dingen. Daarom zag de Heilige Geest de arme gedeemoedigde in de geest aan. Nadat zij de koninklijke sieraden afgelegd en onder de armen van Christus en de kerken verdeeld had, droeg zij slechts eenvoudige kleren – niet alleen in dit maar ook andere opzichten erop gespitst al het overbodige te vermijden. Zij was gewend als haar eigen eerste aanklaagster in dagelijkse biecht, zich niet alleen van haar daden maar ook van haar onordelijke gedachten en dromen te reinigen. Ze stond er namelijk op gewetensberaders, die zij voor vromer en verstandiger dan de anderen aanzag, als onafscheidelijke begeleiders om zich heen te hebben en was in haar begeerten zeer omzichtig strevend, door haar dagelijkse voorlezing, overweging, discipline, en heilzame meditatie overal beschermd te zijn. Want welke last deze haar ook onder beroep op haar gehoorzaamheidsplicht oplegden, de uit vrije wil aan God onderdanige verdroeg het zonder uitstel en ook toereikend. Haar vasten was eenvoudig en niet bijgelovig, haar eten bescheiden, zeer nuchter en wonderlijk matig en aan haar kleine tafel werd altijd uit de heilige schrift voorgelegen, wat haar ook een spijs en een verrukkelijke verkwikking van de ziel was. Daar, bij de armen, werd Christus altijd zorgvuldig als gast bediend. Zij maakte namelijk met de onrechtvaardige Mammon vrienden, opdat deze haar, wanneer het haar aan alles ontbrak, in de eeuwige hutten opnamen. Want wat zij uit haar erfgoederen betrekken kon, die een zo hoge vrouw rijke inkomsten verschaften, dat verdeelde zij, uitgezonderd haar eerste behoeften, dagelijks zorgvuldig op deze wijze. De warmte van de baden en de zachtheid van de veren meed zij volkomen. Haar bed was vaak de aarde of wat verder maar tamelijk hard was, uitgerust met een biezen mat, een tapijt of zeer weinig stro, en als zij haar zwakke lichaampje, door slaap overmand, een beetje verkwikt had, drong zij meteen zeer onverdroten naar haar vertrouwde vigiliën en gebeden. Voor haar, die Christus in haar hart droeg, klonk het psalmengezang en zijn woord steeds in de mond. Van de zware lasten waaraan zij zich onderwierp, is alleen hij alleen getuige en medewetende met wie zij zo’n vertrouwde omgang had. Alle mensen in haar nabijheid heeft zij door haar langdurige streven zelfs ’s nachts bovenmatig geïmponeerd, door het naaien van kleding voor de armen met haar eigen handen, door zeer handig baden, verzorgen, kleden en bezoeken van de vuile armen, vooral die aan schurft, lepra en zweren leden, die vuilnis veroorzaakten, van wie etter vloeide, of door een kwaal stonken, hiermee diende de vlijtige Christus. En tegenover alle dienaars van God toonde zij zich volkomen deemoedig, zeer menslievend en vrijgevig in elk opzicht, zoals dit de schare van deze lieden en de menigte in het hele land uitriepen en niet nalieten te verkondigen. Zij probeerde namelijk alle mensen met een religieus leven in kerken of kloosters, zo goed als zij maar kon, aan haar geldschenkingen en vrijgevigheid deel te laten nemen en zo nam de zeer bevlogen vrouw privé en in gemeenschap aan de herinneringen en verbroedering en haar gebeden deel. Ketters en huichelaars echter en zeer in het bijzonder de Nicolaïsten en Simonisten weerstond zij, terwijl zij zonder aanzien des persoons tegen allen zeer vrijmoedig met kritiek was, uiterst hard en zeer vijandig en met meesterlijke autoriteit en de gave van de weerlegging. Toen zijn namelijk aanvankelijk door de vorsten in het rijk intens verzocht werd, zich in de Duitse gebieden op te houden, om de kinderlijke en later jeugdige misstappen van haar zoon bij te sturen of te matigen – als zijn raadgeefster en tuchtigster met moederlijke discipline en vrijmoedigheid indringender en vertrouwder als de anderen – heeft zij enige tijd toegestemd. Ten slotte echter, toen zij haar zoon en zijn vertrouwde raadgevers zo vaak vermaand en op elke geestrijke wijze gepasseerd had en met verwijten en smeken, of het nu gelegen of ongelegen kwam en zij zich in het geheel niet verbeterden, ja zelfs nog ergere dingen uithaalden en zij haar vervelend en lastig vonden, toen weigerde zij zoveel onbehoorlijks als hun  rooftochten, hun nijd en tegenstand, hun waanvoorstellingen en veelvuldige dwaasheden nog langer te verdragen en begaf zich definitief naar Rome, naar de heilige Petrus en de gemeenschap van de heiligen. Daar verdeelde zij dagelijks alles, wat zij uit haar goederen kon krijgen, om aan de armen te besteden; en ter bevordering van een heilig en godgevallig leven streefde zij van dag tot dag steeds meer voorwaarts, vergat het achter haar liggende en volgde daar triomferend en glorieus de prijs der hemelse beroeping, terwijl zij op de rechtmatige wijze streed en haar loopbaan voltooide. Tot echter de tijd aanbrak, haar voor een met zoveel heerlijk vrome daden van haar zeer zegenrijke leven te belonen, werd zij door een ongewoon sterke koorts dodelijk gegrepen, waarvan de hevigheid zich vroeger, daar zij zelf in de heelkunde niet onervaren was, vaak gewend was te milderen, en kwijnde 14 dagen in zware ziekte weg en verviel, terwijl zij constant van uur  tot uur aan lichaamskrachten afnam, geestelijk echter genadevol in Christus verhoogd en gesterkt werd. Op het laatst, als zij aan haar einde gekomen was, en nadat zij over haar goederen al ter gebruik door de armen en de kerk zeer verstandig beschikt had, riep zij vooral de apostolische heer, dan al haar dierbaarste getrouwen en vrienden bij zich, wie zij een laatste vaarwel zei en haar ziel aanbeval, en nadat zij al het door haar gewenste geordend had en het heilige avondmaal zeer aandachtig ontvangen had, onder gebeden en psalmgezangen der anderen, terwijl zij zelf psalmen zong en dank zegde, beval zij haar geest, jubelend, in de handen Gods en de Heiligen Petrus en Paulus. Nadat de uitvaartdienst, plechtige missen, verdeling der aalmoezen, ook vigiliën enige dagen lang plechtig omwille van haar ziel gecelebreerd waren, bewaarde de apostolische heer ten slotte het heilige lichaam van de keizerin Agnes, dat door zijn apostolische zorg en bevrijding van haar zonden bevrijd was, in een sarcofaag in de kerk van de heilige Petronella; onder hymnen en lofgezangen van de gehele kerk van Rome die daarin samen weerklonken, werd zij eervol begraven.

 

[1] Althoff, G., Heinrich IV, 23.

[2] Black-Veldtrup, M., 358.

[3] Black-Veldtrup, M., 356.

[4] Bonizo, Liber ad Amicum. Lib. VI, pp. 595-6.

[5] C. 2, pp 13-14

[6] Bulst-Thiele, 114.

[7] DHIII. 160

[8] DHIII. 161

[9] DHIII. 162

[10] Bulst-Thiele, 114

[11] Bulst-Thiele, 116. Bulst-Thiele bestrijdt dat het hier ging om rijksgoed.

[12] M. Vogt-Lüerssen, Alltag im Mittelalter,

[13] Door Hendrik IV naar een  joodse lommerd gebracht, verstopt tijdens een pogrom, in de 19e eeuw door grondwerkers terug gevonden.

[14] De “eunuch van Christus” ging later als monnik in Cluny zelfs zo ver dat hij uit woede over zijn onmacht zich te beheersen, zichzelf probeerde te ontmannen met behulp van een gloeiend ijzer. Ex Vita s. Udalrici prioris Cellensis, c. 3, n. 8.

[15] Bulst- Thiele, 22.

[16] Ex Vita s. Udalrici prioris Cellensis, c. 5.

[17] Misschien een verwijzing naar de Voorhang van de Tempel, die van onder tot boven in tweeën gespleten werd toen Christus aan het kruis stierf.

[18] Bulst-Thiele, 95.

[19] ‘Furia illa debacchans”, brief van de domscholasticus Meinhard. Bulst-Thiele, 42.

[20] Ibidem.

[21]

[22] Bulst-Thiele, M.L., 94; Meyer v. Knonau III, 94, cit. Amatus, lib. VIII, c. 3. “Et finalment Agnés imperatrix se mist en mege, quau estoit fame cristianissime et devotissime, et metoit sa cure en les prisons, et en conforter li poure et appareillier léglise. Don vint a Salerne et se geta a li piez de lo prince, et prometoit de paier cent livres de or en faire soi taillier le doit, et solement delivrast cestui Maure.“

Geplaatst in Afkomst en jeugd | Een reactie plaatsen

Een omslag in de cultuur

Eenvoudig en praktisch.

Hendrik IV had een andere smaak dan zijn vader Hendrik III, die graag de overvloedige Byzantijnse cultuur citeerde. Zijn voorkeur lijkt meer uitgegaan te zijn naar strakke, sobere classicistische vormen. Niet toevallig onderscheidden ook zijn notarissen, briefschrijvers en biografen zich door hun uitstekend klassiek Latijn, rechtstreeks ontleend aan Vergilius en Livius.

De in zijn opdracht herbouwde kerk van Speyer en het klooster Limburg vielen op door wat men de “Salische” stijl is gaan noemen.

In een fragment van een gedicht, dat in het laat elfde-eeuwse heiligenleven van St. Servatius bewaard bleef, wordt Hendrik IV een liefhebber van pure eenvoud, een “purae simplicitatis amator” genoemd. Bovendien, zo wordt ons verteld, deed hij een concessie of week hij voor een overmacht (concessit) en stelde hij (in plaats van zichzelf) datgene centraal wat het algemeen belang diende[1].

Tegenover het dogmatisme van de Gregorianen stond de pragmatische houding van Hendrik IV. Hij paste zich aan bij de situatie, gaf mensen datgene wat ze nodig hadden en stelde zich overal voor open. Hij was “gewend iedere persoon, iedere leeftijd, iedere zaak het bij hem passende te verstrekken en kon het bijna niet verdragen iets niet te weten”.[2]

Hendrik IV schiep veel nuttige dingen in de wereld, vond de dichter van de “Goslarer Chronik. [3]

Heinrich der vierdt, des dritten son,

funffjarig alt erlangt die kron,

doch ward aus im ein solcher heldt,

der viel nutz schaffedt in der welt.

In de annalen van Berthold en Bernold wordt minachtend vermeld dat Hendrik IV kerkelijke hoogtijdagen als Pasen en Kerstmis met maar weinig pracht en praal vierde, terwijl tegenkoning Rudolf dit op overvloedige wijze deed.

Deze bijna Protestants aandoende soberheid strekte zich uit tot zijn persoonlijke geloofsleven. Terwijl Hendrik III een enorme verzameling relieken bijeenbracht en in alle kerken eer bewees aan de heiligen, vinden we bij Hendrik IV geen aanwijzingen voor een persoonlijke heiligencultus. Alleen de maagd Maria beschouwde hij levenslang als zijn “Vrouwe” die hij wilde dienen. Ook het tot op de draad versleten psalmenboek dat hij altijd bij zich had en dat door Otto van Bamberg uiteindelijk van een nieuwe band werd voorzien, past in dit beeld.

[1] Iocundi Translatio S. Servatii, MGH SS 12, p. 121, c. 74. “Concessit imperator/Purae simplicitatis amator/Ponens hoc semper in medium/Quod prestet omnibus remedium” (Voor een overmacht week de keizer, liefhebber van de pure eenvoud, altijd datgene in het midden plaatsend, wat voor allen garant staat als redmiddel).

[2] Ekkehardi Chron. Univ. MGH SS. VI, 238, 239.“Omni personae, omni aetati, omnique rei sibi congrua impendere solitus, et vix quicquam ignorare passus.”

[3] Die Goslarer Chronik des Hans Geismar, p. 55.

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

De dood van Hendrik III (1056) en de gevolgen daarvan

Na zijn terugkeer uit Italië deed Hendrik een uiterste poging de vrede in het rijk te herstellen. Gevangenen werden vrijgelaten, tegenstanders ondergingen de “edele wraak”; hun vijandelijkheden werden hen vergeven en er kon met een schone lei worden begonnen.

Op 13 mei 1056 vierde hij het feest van St. Servatius, die hij sinds vele jaren als de beschermer van zijn koningschap beschouwde, in Goslar en liet bij die gelegenheid 40 gevangenen vrij uit de kerkers van het paltscomplex. Het is mogelijk dat hun gevangenneming verband hield met de recente moord op markgraaf Theti, een broer van aartsbisschop Adalbert van Hamburg-Bremen. Theti was bij wijze van bijzondere eer in Goslar begraven. De vrijlating was zo opmerkelijk dat de gebeurtenis door Iocundus werd bewerkt tot een wonderverhaal. Ondanks de hagiografische vorm zijn de vertellingen van deze Franse monnik rijk aan historische bijzonderheden.Om te beginnen verscheen de heilige Servatius in de nacht aan de gevangenen om hen moed in te spreken. Zij hoefden niets te vrezen, want de gerechtsaanklager zou voor hen een goed woordje doen bij de keizer, aldus St. Servatius.“Niemand is in het paleis meer vertrouwelijk, meer familiair dan hij en deze uitverkorene van God; wat hem bevalt, behaagt de keizer, wat hij looft, prijst die ook, wat de een in gedachten heeft is de wil van de ander.”

In Goslar dus, waar tevens een markt gehouden werd, die door leden van de naburige Slavische stammen bezocht werd, zo vernemen wij terloops, vierde Hendrik III met Agnes het feest van St. Servatius. Hendrik IV en zijn verloofde Bertha waren ook van de partij. De twee kleuters bewezen eer aan de heilige door hem “best aardige” geschenkjes aan te bieden. Terwijl de keizer op het plein voor de palts, de tegenwoordige Kaiserbleek zat – op mooie dagen hield hij hof in de open lucht -, verscheen de heilige aan hem in de gedaante van een buitenlandse boodschapper vergezeld van twaalf beeldschone jongens van wie de mooie gestalte met geen mens te vergelijken viel, “die zoals hij [Hendrik III] later zelf zei, bloeiden als de roos en de lelie”.

St. Servatius verscheen voor de keizer, groette hem met woorden van vrede, herinnerde hem aan de jongens die in de kerker opgesloten waren en bepleitte hun vrijlating in naam van Jezus Christus. De keizer hief de ogen ten hemel, aanvaardde de petitie en vroeg naar de afkomst van de jongens, het land van herkomst of welke vorst hen gezonden had.Nooit had hij jongelingen gezien van zo grote elegantie, zo grote beschroomdheid. Bewonderend verlangde hij te weten waar zij zouden neerstrijken.[1]           Een raadselachtige anekdote, die meer vragen oproept dan beantwoordt. Wie waren deze jongelingen? Hun elegantie en terughoudendheid zijn hoofse eigenschappen. Waren het om leerlingen, bestemd voor de kathedraalschool van Goslar waaruit toekomstige hoofse bisschoppen gerekruteerd werden? Waarom toonde de keizer zich zo gefascineerd door hun fysieke schoonheid? Was er sprake van een erotische aantrekkingskracht?

De Saksische gerechtsaanklager die zo’n buitensporige invloed had aan het hof toont overeenkomsten met Benno van Zwaben, de latere bisschop van het Saksische Osnabrück. Deze speelde als vicedominus regis in Goslar een gewichtige rol. Zijn biograaf Norbert zegt over hem, in de tijd dat Hendrik IV nog een kind was: “bijna naar zijn goeddunken werden alle interne aangelegenheden van het hof geleid. Benno oefende in Goslar namelijk een dubbel ambt uit. Ten eerste oefende hij uit kerkelijke macht de onderzoeken van het geestelijk gerecht, ten tweede was hij uit naam van de koning voorzitter van het koninklijk gerecht… en op grond van de hem overgedragen volmachten moest hij ook beheren wat van de keizer was. Bovendien was hij een uitstekende architect, een genie op het gebied van de bouwkunst, mede een reden waarom hij met de bovengenoemde koning (Hendrik IV) een onafscheidelijke vriendschap had”[2].

Na de amnestie in Saksen reisde Hendrik naar het westen van het rijk om ook daar orde op zaken te stellen. Hij bezocht de grensplaats Ivois (Carignan) waar hij met Pinksteren koning Hendrik I van Frankrijk zou ontmoeten. In 1047, toen Hendrik III met vrijwel al zijn ridders in Italië verbleef, waren er in Frankrijk stemmen opgegaan om Lotharingen te veroveren om zo het oude middenrijk van Lotharius weer samen te voegen met het westfrankische rijk. Aan de Franse koning werd een plan voorgelegd om eerst de palts Aken te veroveren, waarna het overige zonder moeite zou kunnen worden bemachtigd. Hendrik I voelde hier wel iets voor, aangezien hij meende dat Lotharingen juridisch de koning van Frankrijk toekwam, en niet de keizer.

Bisschop Wazo van Luik stuurde hem een brief met het dringend verzoek de vrede te bewaren en zich de vroegere goede betrekkingen te herinneren. Het antwoord van Hendrik I was grof afwijzend en hij kondigde aan wanneer hij tot de aanval zou overgaan. In een tweede brief appelleerde Wazo aan zijn koningseer. Hij zou toch op zijn minst zo fatsoenlijk moeten zijn te wachten totdat Hendrik III teruggekeerd was om zich te kunnen verdedigen. Ook wees hij op de ellende voor de burgerbevolking die de aanval zou veroorzaken. Hendrik I zwichtte voor deze argumenten en omdat hij door interne conflicten in moeilijkheden raakte. Hij riep daarom zijn bisschoppen bijeen, liet hen Wazo’s brief voorlezen en berispte de aanwezigen: niet van hen, van zijn eigen kroonvazallen, maar van een buitenlander had hij heilzame raad ontvangen en hij zag af van de aanval.[3] In 1055, toen Hendrik III opnieuw in Italië was, werden de veroveringsplannen opnieuw actueel.

Op de bijeenkomst in Ivois kwam het tot een strijd tussen beide Hendriken. De Franse koning wilde een verdrag dat hij eerder (in 1048) met de keizer had gesloten niet langer erkennen, terwijl de keizer eraan vasthield. Ondanks zijn frequente ziekten moet de fysieke kracht van Hendrik III toen nog aanzienlijk geweest zijn, in elk geval voldoende om de Franse koning te imponeren. Hij daagde hem uit tot een vuistgevecht bij wijze van godsoordeel.

Hendrik I ging hevig scheldend te keer en beweerde hij dat de keizer hem vaak belogen had, telkens weer onthield hij hem een groot deel van het Frankische rijk dat zijn (des keizers) voorvaderen wederrechtelijk in bezit hadden genomen.

“Toen de keizer zich bereid verklaarde om met de blote hand met elkaar slaags te raken om hem te weerleggen, vluchtte hij in de nacht terug naar zijn land.”[4]

“Omdat de koning begreep dat hij in die zaken weldra zou verliezen, vluchtte hij in de nacht heimelijk met de zijnen.”[5]

 

Deze op het eerste gezicht impulsieve daad had een voorbeeld in de geschiedenis. In 978 was Otto II door de Franse koning Lotharius III uitgedaagd tot een tweegevecht. Destijds was het de Duitse keizer geweest die op de vlucht geslagen was.[6]

Bij het feest van de heiligen Petrus en Paulus (29 juni 1056) hield hij een grote hofdag in Trier. Hij nodigde Godfried van Lotharingen uit en schonk hem vergiffenis voor alles wat er was voorgevallen. Ook Beatrix en haar dochter Mathilde werden vrijgelaten en mochten zich weer bij hem voegen. Zelfs de man die hem had willen vermoorden, bisschop Gebehard III van Regensburg liet hij vrij. Hij werd in genade weer aangenomen en keerde terug naar zijn bisdom.[7]

Begin september arriveerde Hendrik in zijn thuishaven Goslar om er Paus Victor II te verwelkomen, die hij al herhaaldelijk had uitgenodigd voor een bezoek.[8] De keizer voelde moedeloos en ziek.

“In deze tijd kwamen veel edelen in vele provincies om. Veel provincies werden getroffen door honger. Armoede en gebrek overheersten. Veel kwaad is toen geschied. Keizer Hendrik, door deze smarten tot in het hart getroffen, begon weg te kwijnen.”[9]

Hendrik trok zich de tegenslagen persoonlijk aan. Hij had gefaald in zijn rol als keizer, God wilde hem straffen, dus moest hij boeten: “de vergunning aan een priester hem te geselen waar hij maar wilde, haalde hij zich bovendien als boete deemoedig op de hals.[10]

Door boete te doen kon Hendrik de misericordia (barmhartigheid) van God afroepen over de wereld[11]. Maar het was niet meer genoeg om barrevoets en in een  haren kleed op de grond neer te vallen zoals in 1044. Hij moest nu werkelijk lijden, als plaatsbekleder van Christus.

Zijn biechtvader, de nieuwe radicale aartsbisschop Anno van Keulen, voelde zijn onzekerheid en heeft hem met ongewone hardheid behandeld. Zonder rekening te houden met zijn wisselvallige gezondheid legde hij hem deze onbarmhartige geselingen op[12], gaf hem geen gelegenheid tot herstel maar liet hem, terwijl hij nog toegetakeld was door eerdere zweepslagen, nogmaals afranselen. Maar Hendrik verweerde zich nauwelijks, hij nam zich niet in acht. Op een feestelijke bijeenkomst in 1056, bedoeld wordt waarschijnlijk het bezoek van Victor II,[13]  had Hendrik aanvankelijk geweigerd  te boeten en aalmoezen te geven omdat hij nog leed onder de gevolgen van een eerdere boetedoening:  Maar de heilige leider, (Anno) die met volledig gezag de nederige bezigheid van de keizer beoordeelde was bij een zo gunstige gelegenheid voor daden van barmhartigheid woedend op de keizer. Want zeer heftig en zonder medelijden voer hij tegen hem uit met de vermaning dat wie zich met vurige ziel voor rechtvaardigheid opwierp, zich vrijwillig en consequent moest wijden en ook verzwakt door zeer harde zweepslagen niet anders dan op dezelfde manier moest besluiten zich te vertonen en zoals voorheen eigenhandig 33 pond zilver aan de armen betalen.  En de keizer weigerde niet, maar nam alles wat de hooggeplaatste rechter zei in overweging en heeft geleden en gehandeld en vertoonde zich naar zijn gewoonte toen pas gekleed.’[14] De weigering van de keizer om aalmoezen te geven moet nogal wat opschudding hebben veroorzaakt. Ook Otloh van St. Emmeram vertelt hierover. Volgens hem was de dood van Hendrik III het rechtstreekse gevolg van zijn veronachtzaming van de armen.

Op 8 september arriveerde paus Victor II voor een gezamenlijke viering van Maria-Geboorte te Goslar. Het was een warme dag en de keizer had hem een schitterende ontvangst in de open lucht willen bereiden. Vele vorsten uit het rijk waren daartoe bijeengekomen, maar juist toen men zich in beweging zette om de paus en kardinaal Humbert van Silva Candida te begroeten, brak er een hevig onweer los, waardoor de feestelijkheden in het water vielen en men in het klooster van Simon en Judas Thaddeüs moest vluchten, tot leedwezen van de keizer.[15]

Toen het feest voorbij was nam Hendrik de paus en de edelen mee naar zijn jachthut in het nabijgelegen Bodfeld, om samen met hen op herfstjacht te gaan, het grootste societyfeest van de adel. Bodfeld ontleende zijn naam aan het riviertje de Bode, waar volgens een legende ooit een ridder genaamd Bodo van een rots gevallen en verdronken was. Bodfeld was bovendien de adminstratief belangrijkste plaats in het Harzgebied. Evenals andere paltsachtige plaatsen zoals Hasselfelde en Siptenfelde beheerde het de gespecialiseerde werkplaatsen die zich in de buurt van de vele ertsopslagplaatsen bevonden[16]. Er ging veel geld om in het gehucht aan de Bode, maar Hendrik III weigerde deze rijkdommen met de behoeftigen te delen.

in het Liber Visionem van Otloh van St. Emmeram. Tijdens zijn laatste bezoek aan Hendrik III in september 1056 zou Paus Victor II het volgende hebben gezien in een dorp niet ver van Bodfeld, “Waar hij de keizer in eenzaamheid zag zitten en niet omgeven door een menigte adel. Waar, toen heel veel winst met de wereldlijke heren zou worden afgerekend, plotseling een arme aankwam, roepend tot de keizer en verzoekend waardig gekeurd te worden wegens de noodzaak zijn zaken te horen en te besturen. Maar hij antwoordde ruw: “Wacht, stommeling, tot mij eindelijk tijd overgelaten wordt om naar je te luisteren!” Maar de arme zei: “Hoe, o keizer, kan ik zolang wachten, ik die me al zoveel dagen hier ophoud, ik heb alles wat ik had voor mijn levensonderhoud uitgegeven”. Hem werd weer geantwoord: “Ga weg, onbeschaamde, in de haat van God, en wacht onafgebroken door tot ik naar je kan luisteren. Want mijn hele zorg is slechts lang een andere weg te luisteren en te regeren, zodat je me tevergeefs aanroept.” Dit gehoord hebbend, ging de arme treurig weg. En spoedig kwam een andere arme, die op dezelfde wijze als de eerste riep, maar eveneens tevergeefs. Na een poosje kwam ook een derde arme hetzelfde vertellend, vragend, als  de vorigen. Maar toen ook hij hem tevergeefs aanriep, zei een stem uit de hemel: “Ruim die bestuurder weg en leer hem mores, hoe de armen het waardig zijn rechtspraak te verwachten. Wat hij geeft zal hij ontvangen, wat hij uitstelt zal hij leren”.

Hier, in de bossen van de Harz, bereikte hem een onheilstijding. De Liutizen, een groep niet-christelijke Slavische stammen die ter hoogte van Saksen aan de oostelijke oever van de Elbe leefde en die vanwege hun invallen en plunderingen bijna net zo gevreesd werden als eens de Noormannen, waren al enige tijd onrustig. In augustus 1045 had Hendrik al eens een tamelijk succesvolle oorlog tegen hen gevoerd en daarna waren de vier stammen door interne conflicten verdeeld geraakt. Aanvankelijk wist de Obodriten-leider Gottschalk in die situatie een machtspositie te verwerven en gesteund door de koning van Denemarken en de hertog van Saksen begon hij het christendom te propageren. Maar terwijl de keizer bijna het hele jaar 1055 in Italië was, keerden de Liutizen terug tot hun oude geloof en begonnen ze invallen te doen in Saksen en de oostelijke marken van het rijk. Dit was de reden waarom een groot aantal Saksische vorsten onder leiding van markgraaf Willem een expeditie op touw zette om hen neer te slaan.

Op 10 september was het leger bij de monding van de Havel in een hinderlaag terechtgekomen. Daarbij lukte het de Liutizen om de Saksen tussen Havel en Elbe zo in het nauw te drijven, dat er geen ontsnapping mogelijk was. Bijna het hele keizerlijke leger werd afgeslacht. Ook de edelen vielen: markgraaf Willem, wiens lijk niet meer teruggevonden werd, graaf Bernhard van Domersleben, graaf Dietrich van Katlenburg en andere getrouwen van Hendrik III. Velen die probeerden te ontkomen, verdronken in de Elbe.[17] Hendrik III was zeer geschokt door dit slechte nieuws, maar probeerde niets te laten merken tegenover zijn gasten. “Voortdurend borg de koning de vrees die hij met bleek gezicht in zich opnam, diep weg, waarover zou worden gepraat, hij was druk bezocht geweest.”,[18]      De feestelijke jachtpartij met Victor II ging ondanks de vernietigende nederlaag gewoon door, maar Hendrik III was niet geconcentreerd. Het weer was omgeslagen en het had geregend. Terwijl hij een groot everzwijn achtervolgde kon hij niet voorkomen dat zijn paard uitgleed en hij zelf ten val kwam.[19] Gewond, ziek en diep ellendig werd hij naar de palts in Bodfeld gebracht. “op de herfstjacht, druk in beslag genomen door zijn dierbaarste hartstocht in een woud genaamd Harz, geraakte hij in de uiterste ongesteldheid en werd tot wanhoop van de artsen steeds ernstiger ziek.”[20] Over de doodsoorzaak kan slechts gespeculeerd worden. Mogelijk stierf hij na zijn valpartij aan een wondinfectie met stafylokokkenbacteriën, wat tot zeer hoge koorts door bloedvergiftiging (sepsis) of beenmergontsteking (osteomyelitis) kon leiden en daarmee gewoonlijk binnen zeven dagen de dood tot gevolg had.[21]

Aan zijn sterfbed zaten paus Victor II, patriarch Gotebold van Aquileia en de onvermijdelijke bisschop Gebehard III van Regensburg[22], de man die getracht had hem te vermoorden, maar die hij vergiffenis geschonken had. Hendrik III geloofde stellig in een nieuw leven in de Eeuwigheid; “zoals wij smachten met het hoogste verlangen naar dat leven, in eeuwigheid gezegend weer tot leven gewekt; en wij vertrouwen er zeer op dat het zal geschieden dat wij de aarde inruilen voor de hemel en het vergankelijke prijsgeven voor het eeuwige.’[23]

Hij verzocht Paus Victor II om zijn zoon Hendrik IV nogmaals te laten huldigen door de vorsten. De paus werd aangewezen als voogd[24]. Aan keizerin Agnes droeg hij op de landgoederen die hij wederrechtelijk verworven had[25] terug te geven, wat zij ook inderdaad gedaan heeft. Verder vroeg hij aan allen die hij meende onrecht te hebben aangedaan vergiffenis, vergaf zelf ook al zijn vijanden, deed een openlijke biecht, werd van de sacramenten der stervenden voorzien[26] en gaf de geest. Als middeleeuwer verstond hij de kunst waardig te sterven. Het was zaterdag 5 oktober

Het lichaam kreeg de traditionele behandeling en werd gereedgemaakt voor het wekenlange transport naar Speyer aan de Rijn. Het hart en de ingewanden werden door een arts verwijderd om daarna te worden begraven in de domkerk te Goslar,“Omdat zijn hart altijd in Goslar geweest was.”[27] Het hart wordt er nog steeds bewaard in de Ulrichskapel, in een zilveren capsule. De rest van het stoffelijk overschot werd in een conserveermiddel gedrenkt, opgevuld met wol en fraai gekleed in byzantijnse zijde. Een dunne witte sluier bedekte het gelaat. Een kroon van verguld koper werd op het hoofd geplaatst, een rijksappel in de gevouwen handen.

Op 28 oktober 1056 werd Hendrik III bijgezet in een eenvoudige sarcofaag van gele zandsteen in de crypte van de dom te Speyer. Het was zijn 40-ste verjaardag. Het was zijn wens geweest om:“op de dag waarop hij uit de schoot van zijn aardse moeder was gekomen, weer te worden toevertrouwd aan de schoot der aarde, de moeder van alle stervelingen”.[28]    “Zijn lichaam werd met reusachtig eerbetoon, zowel van de paus als van alle edelen van het rijk begraven in Speyer naast zijn vader. Hij is door grote waardigheid zeer behoorlijk geweest in alle dingen. Van lichaam was hij welgevormd, van gestalte slank en lang. Zowel met de wapens als van geest was hij op het juiste moment zeer scherp; in geduld en nederigheid voldoende gematigd; in letteren overvloedig geleerd; vóór alle personen die hij waardige weldadigheid placht te betonen, toonde hij altijd grote eerbied aan de priesters van Christus.”[29]

Hendrik III stierf op het hoogtepunt van zijn keizerlijke macht en werd op een feestelijk moment, tijdens het pausbezoek en bij zijn meest geliefde bezigheid de herfstjacht plotseling uit het leven weggerukt, een zwangere weduwe met vier jonge kinderen nalatend. Zijn ambitieuze politieke plannen, zoals de hervorming van de kerk onder keizerlijk gezag, een versterking van de rechterlijke macht, het uitroeien van de bloed- en eerwraak, de uitbreiding van het onderwijs aan leken en in de volkstaal, bleven onvoltooid. Deze onverwachte dood – ofschoon hij naar middeleeuwse maatstaven al niet meer de jongste was – heeft iets tragisch en bracht dan ook bij zijn tijdgenoten een schok te weeg. Het volk rouwde om hem, en dat is meer dan van zijn vader Koenraad II gezegd kan worden, over wie de annalist van Hildesheim schreef:

“O, hoe hard en geheel ongevoelig is het hart van de menselijke soort! Omdat toen de man die het hoofd van bijna de hele wereld en deugdzaam was, overleed, bij zijn dood en gevaarlijke ziekte niemand begon te zuchten.”[30]

Met betrekking tot Hendrik III werd gezegd dat een voorname Romein, een bekende van kardinaal Humbert van Silva Candida, die achter de paus aan reisde en middagpauze hield in een dorp niet ver van Bodfeld, “iedereen op weeklagende toon praatjes hoorde houden”. Maar omdat hij geen “teutoons” kon verstaan, vroeg hij aan een graaf die deze taal wel beheerste wat er aan de hand was. Het antwoord luidde: “Er is bericht dat de keizer, die je wilde bezoeken, overleden is. Daarom treuren allen, daarover praat iedereen.”[31]

Keizerin Agnes en Hendrik IV lieten in 1057 een ‘eeuwige lamp’ aanbrengen boven het graf van Hendrik III.[32]

 

 

[1] Iocundi Translatio S. Servatii.

[2] Memmert, T., „die Geschichte der Pfalz Goslar…“ 43.

[3] Anselm, c. 61.

[4] Lambert. Hersf. 1056.

[5] Annal. Altah. 1056.

[6] S. Fischer-Fabian, 117.

[7] Giesebrecht , 528.

[8] Steindorff II, 350.

[9] Chron. Wirzeb. 1056.

[10] Vita Annonis, c. 6.

[11] Schnith, , 46.

[12]  Ook Otto III had zich laten geselen, en ook met hem liep het zoals bekend niet goed af.

[13]  Dit  was, naast een hofdag in Trier op 29 juni, de enige buitengewone feestdag in dat jaar. Anno was op 3 maart 1056 tot aartsbisschop gewijd.

[14] Vita Annonis c. 6. Hendrik IV heeft zijn voogd Anno van Keulen intens gehaat. Onmiddellijk na zijn meerderjarigheidsverklaring wilde hij Anno met zijn zwaard doden. Beschouwde hij dit – naast andere grieven –  als zijn wraakplicht en zag hij Anno als mede verantwoordelijk voor de dood van zijn vader?

[15] Anonymus Haserens. C. 39.

[16] Bherens, H.A., “Auf den Wegen deutscher Kaiser und Könige des Mittelalters im Harz“, 3.

[17] Steindorff II, 352.

[18] Vita Anonis, c. 7.

[19] “Ivit venatum, sequitum dum fortiter aprum, est elapsus equo » Epitaphium.

[20] Anon. Haser. C. 40.

[21] Volgens Lambert van Hersfeld duurde zijn ziekte tenminste zeven dagen, wat wel zal kloppen: de laatste oorkonde van de keizer dateert van 28 september 1056 en hij stierf op 5 oktober. “3. Non. Octobris obiit…indictione 10…” Bertholdi annales, 1056.

[22] Lambert. Hersf. 1056.

[23] D.HIII 305,  3 juni 1053 aan de vooravond van Koenraads sterfdag.

[24] Hij overleed echter al in 1057.

[25] Annal.. Wirzeb. 1056.

[26] Steindorff II, 356.

[27] `Steindorff II, 356, n.6.

[28] Anon. Haser.

[29] Ekkehardi Chronicon.

[30] Annales Hildesh. 1039.

[31] MGH. SS XI, 384.

[32] D.H.IV 8.

 

Geplaatst in Afkomst en jeugd | Een reactie plaatsen

Een langverwachte troonopvolger

Hendrik IV was het vierde kind van keizer Hendrik III en keizerin Agnes. Hendrik III was al voor de tweede keer getrouwd en had tot nu toe alleen maar dochters gekregen. Zolang hij geen mannelijke opvolger had, was de stabiliteit in het rijk in gevaar. De keizer was niet zo jong meer en troonpredenten roken hun kans.

Net als zijn grootmoeder, keizerin Gisela, werd Hendrik IV geboren op de sterfdag van Martinus van Tours, 11 november. De heilige St. Maarten was de beschermheilige  van de Franken. Uit verering voor zijn patroon zou Hendrik IV later veel aandacht besteden aan de zorg voor armen en zieken.

De doop stond voor Kerstmis 1050 te Goslar op de agenda. Aan niemand minder dan abt Hugo van Cluny werd in een brief de vraag gesteld of hij als peetvader wilde fungeren. Hij werd door het verzoek in verlegenheid gebracht en schreef terug dat hij de verre reis in de winter niet kon maken. Er ontstond een pijnlijke situatie omdat de doop moest worden uitgesteld en de uitgenodigde edelen een eed van trouw moesten afleggen op een ongedoopt kind. Het antwoord van Hendrik III aan Hugo van Cluny is bewaard gebleven. Het is de enige brief van Hendrik die overgeleverd is en wordt daarom geheel geciteerd. De tekst lijkt typerend voor de mentaliteit van Hendrik III: autoritair, maar zonder rancune.

‘H(endrik) verheven keizer van de Romeinen bij de gratie Gods aan H(ugo) eerbiedwaardige abt van de Cluniacenzers dank en heil.

          Inderdaad zijn wij verheugd over de geziene heiligheid van je geschriften die wij met zo groot genot hebben ontvangen. Met welke gloeiende ijver je vasthoudt aan goddelijke contemplatie hebben we gemerkt. Omdat je in deze hebt gezegd al te zeer uitgelaten te zijn over onze teruggekeerde gezondheid, om je instemming peetvader te zijn van onze zoon uit de Hemel, antwoorden wij met dank, dank vanuit het diepst van ons hart bewijzen wij.                                                                                                                           

          Altijd weer bevelen wij met minder moeite dan wij nederig vragen, dat jouw gebed niet zal ophouden bij onze barmhartige Heer, voor het staatsbelang, voor het welzijn van ons en de onzen, dat door de voor ons verzamelde goddelijke genade kerkelijke welvaart en voor alle volken rust en vrede kan bestaan.

Want wie, die verstandig is, zou het gebed van jou en de jouwen niet wensen? En wie zou niet trachten vast te houden aan een onlosmakelijke band met de zorg van hen wier gebed zoveel reiner is doordat ze teruggetrokken zijn van wereldlijke daden, zoveel waardiger naarmate zij het goddelijke aangezicht nader staan?

Omdat je ontkend hebt, wegens de lengte van de reis, te kunnen komen zoals wij bevalen, hoewel we je komst dankbaar zouden aannemen, we schenken je vergiffenis, opdat je met Pasen bij ons in Keulen moge komen, om de jongen waarover je zo blij bent uit het heilige doopvont te tillen en als peetvader je zegen te geven en opdat wij tezamen op het Paasfeest van het zuurdeeg van de zonde gereinigd plechtig de glorie van de hemelspijs     mogen genieten.[1]       

Over de vroege jeugd van Hendrik IV is iets meer overgeleverd dan over die van zijn zusters, van wie we niets persoonlijks weten. Met Pasen 1051 werd hij dan werkelijk in Keulen door aartsbisschop Hermann II in aanwezigheid van alle grote heren gedoopt. In november 1053, nadat Hendrik III de Beierse opstand had neergeslagen, tijdens een rijksdag in Tribur (Franken) moesten de vorsten nogmaals een eed van trouw afleggen op de troonopvolger. Zij deden daarbij echter iets ongehoords door een voorbehoud te maken: “als hij een rechtvaardige koning zal zijn”.  Op de dag van de door Otto III vereerde Sint Alexius, 17 juli 1054, werd de vier jaar oude Hendrik IV door aartsbisschop Hermann II van Keulen, in Aken tot koning gekroond.

Volgens een legende die door de historici eendrachtig wordt bestreden, want hoe zou zoiets nu waar kunnen zijn, had de jonge koning reeds als kind een aanvaring met zijn latere tegenstander Gregorius VII. De kleine, sinister uitziende monnik Hildebrand, met zijn scherpe ogen en vale teint, die tot 1054 als kapelaan aan het hof van Hendrik III verbleef voordat hij paus Leo IX volgde naar Italië, zou door de troonopvolger met broodpap zijn bekogeld. De kleine Hendrik IV, “een mooi, sierlijk knaapje, versmaadde hem omdat hij zo bruin was en wierp hem geweekt brood in het gezicht. Daarbij stootte hij alle scheldwoorden uit die een kind kan zeggen.”[2]

In 1055 moesten Hendrik III en Agnes het tijdens hun reis door Italië acht maanden zonder hun zoontje stellen. Deze was echter nooit uit de gedachten van zijn ouders. Bijna elke oorkonde uit deze periode is opgedragen aan het welzijn van hun “zeer geliefde kind Hendrik IV”. Hendrik IV had pech met zijn voogden, maar hij moet door zijn vader tijdens de eerste jaren van zijn leven liefdevol zijn behandeld. Zijn eigen gedrag bij de terugkeer van de afvallige Hendrik V, die hij liefkoosde als een jong kind, weerspiegelt iets van deze ervaring.

“Toen was de zoon geheel toegenegen aan de vader en de vader had de hele nacht bovenmatig plezier aan de zoon. Hij sprak met hem, speelde met hem, omarmde en kuste hem, begerig naar vervanging van de zo lang ontbeerde vreugde.”[3]

Hendrik III zocht zo snel mogelijk een huwelijkspartner voor zijn zoon, met als politieke bedoeling de banden met het Italiaanse rijksdeel na de afvalligheid van Beatrix van Tuscië nauwer aan te halen. Met kerstmis 1055 in Zürich werd de vijfjarige verloofd met Bertha van Turijn, het ongeveer even oude dochtertje van markgraaf Otto van Savoye en Adelheid van Turijn. Adelheid was in een eerder huwelijk getrouwd geweest met hertog Hermann IV van Zwaben, een van de halfbroers van Hendrik III en was daarmee diens voormalige schoonzuster en goede bekende. Bertha en Hendrik IV verrichtten een officiële daad in mei 1056 te Goslar tijdens de viering van Sint Servaas door deze heilige geschenken aan te bieden.

Op 5 oktober 1056 zat de kleine koning aan het sterfbed van zijn vader. Voor de zoveelste keer legden alle aanwezige edelen een eed van trouw op hem af, gehoor gevend aan de laatste wens van Hendrik III. Kort na de begrafenis van zijn vader werd hij in aanwezigheid van zijn voogd paus Victor II in Aken nogmaals en nu definitief tot koning gekroond.[4]

“Barrevoets, met onbedekt hoofd, gekleed in een lange rode tunica, werd hij op de troon gezet. Zijn blonde krullen, een blond met een koperkleurige schakering[5], gelijk aan de kleur van zijn grote ogen, beroerden zijn tere hals, als de hals van een dame.” [6]

De tweede zoon van Hendrik III en Agnes, die de naam Koenraad kreeg, werd geboren eind september of begin oktober 1052 in de Beierse hoofdstad Regensburg. Hendrik maakte hem in 1054 tot hertog van Beieren. Het kind werd ziek terwijl zijn ouders noodgedwongen in Italië verbleven en stierf op 10 april 1055, tweeënhalf jaar oud.

Dan was er nog een dochter die Adelheid werd genoemd, naar de moeder van Koernaad II. Zij was waarschijnlijk de jongste, bleef ongehuwd en was bestemd voor de geestelijkheid. Niemand heeft de moeite genomen haar geboorte te noteren. De troonopvolging was geregeld en de kwestie was niet meer in het rijksbelang. Adelheid, die ongeveer tot 1092 heeft geleefd, volgde in 1061 haar gestorven halfzuster Beatrix op als abdis van Quedlinburg en Gandersheim. Boze tongen fluisterden dat zij haar broer Hendrik IV heeft geholpen door een van diens tegenstanders, markgraaf Ekbert van Meißen, te laten vermoorden.[7]

In de zomer van 1056 werd Agnes voor de laatste keer zwanger en men hoopte op nog een zoon, die hertog van Beieren zou moeten worden. Op een hofdag te Regensburg in januari 1057 verklaarde Agnes dat zij zwanger was van haar gestorven man. Zij werd benoemd tot hertogin van Beieren, met de bepaling dat als zij een zoon zou baren, deze het hertogdom zou krijgen. De naam van dit kind is niet overgeleverd en het moet vroeg gestorven zijn. In 1061 droeg Agnes het hertogdom Beieren over aan Otto van Nordheim.

Hendrik III heeft minstens twee van zijn kinderen overleefd. Dit was uiteraard niets ongewoons in zijn tijd. Uit een groot gezin werden gewoonlijk slechts enkele kinderen volwassen. Het betekent niet dat de pijn van het verlies daarom minder was. De bronnen zeggen niets over de gevoelens van Hendrik en Agnes bij de dood van hun kinderen. Wel valt eruit op te maken dat Hendrik in beide gevallen lange tijd het werk neerlegde. Na het overlijden van zijn dochter Gisela op 6 mei 1053 was hij ontroostbaar en verbleef hij wekenlang ziek en teruggetrokken in Goslar. In een ongewoon persoonlijke en sombere oorkonde van 3 juni, aan de vooravond van de vijftiende sterfdag van zijn vader, verklaarde hij het rondtrekken beu te zijn, ziek te zijn en te verlangen naar vertroosting.

“Wij weten dat het zwervende leven wegens deze levenswandel kort is, alsof het slechts voor een moment bestaat, en dat wij elke dag tekort schieten bij het verwijderd houden van vals vleiend eerbetoon en lege glorie, zoals wij smachten met het hoogste verlangen naar dat leven, in de eeuwigheid weer tot leven gewekt; en wij vertrouwen er zeer op dat het zal geschieden, dat wij de aarde inruilen voor de hemel en het vergankelijke prijsgeven voor de eeuwigheid. Daarom zal ieder onze bevlogen ijver en trouw aan Christus leren kennen zoals wij ter vergoeding van een remedie om ons te verlossen van onze broosheid aan beide kanten van het leven, met milde vrijgevigheid hebben gezorgd voor een asiel ter verering van de gezegende apostelen Simon en Judas, vervolgens voor de verering van de martelaars Rusticus en Venantius en van de belijders Valerius, Servatius en Eucharius. Een verdienstelijk gebouw voor de Heilige Moeder, door wier hemels patrocinium wij in de tegenwoordige toestand en in de eeuwigheid mogen worden gered, afstand doend en prijsgevend, voor mijn ernstige ziekte en tot vertroosting:  (een zeker landgoed in Harlingerode met bijbehorende rechten).”[8]

De jongste zoon Koenraad overleed op 10 april 1055. Hendrik was toen bezig aan zijn tweede tocht naar Italië. Het was niet gebruikelijk om de koningskinderen mee te nemen tijdens zo’n lange en gevaarlijke reis. Zij bleven achter bij hun verzorgers in Duitsland, in dit geval waarschijnlijk in de veilig geachte burcht Harzburg. De kleine Koenraad werd hier begraven.[9]

Op 5 mei hield Hendrik nog een belangrijke rechtszitting in Roncalia.[10] Op deze of de volgende dag kan hem het bericht van de dood van zijn zoon bereikt hebben. Sneller kon een bode niet van de Harz naar Roncalia reizen. Op 6 mei was Hendrik niet meer bij deze rechtszitting aanwezig. Zijn koningsbode en kanselier Günther fungeerde namens hem als voorzitter.[11] Op 13 mei werd Hendrik bij een andere rechtszitting in Lucca als voorzitter vervangen door zijn koningsbode bisschop Eberhard van Naumburg.[12] Hijzelf verbleef in de burcht Borgo San Donino bij Florence.  Van hieruit liet hij  na interventie van Agnes op 15 mei een oorkonde opstellen voor St. Simon en Judas te Goslar. Het betrof de schenking van een landgoed in Ochsersleben, in Noord-Thüringen.[13] Het is de enige Duitsland betreffende oorkonde die tijdens deze reis gemaakt werd en het feit dat de gift voor St. Simon en Judas was, betekent dat het om het iets persoonlijks ging. De schenking was bedoeld “voor ons zielenheil en lijfsbehoud”. Het lijfsbehoud is ongebruikelijk. Meestal werd een dergelijke schenking omwille van het zielenheil gedaan. Het betekent waarschijnlijk dat Hendrik weer ziek geworden was. In de Pinksterweek (4-10 juni) verscheen Hendrik weer in het openbaar voor een belangrijke Synode in Florence, waarmee de periode van rouw blijkbaar  beëindigd was.

[1] Giesebrecht, 708.

[2] Landgraf, W., 38.

[3] Vita Heinrici

[4] Volgens Bertholdi Annales was hij bij zijn troonopvolging zeven jaar oud.

[5] Landgraf noemt zijn haarkleur “donkerblond”. Landgraf, W., 72.

[6] Ferri, E., 70, zonder bronvermelding.

[7] W. Landgraf, 279.

[8] D.H. III 305.

[9] Later is het stoffelijk overschot door Hendrik IV overgebracht naar Speyer, nadat de graven van Koenraad en van een zoontje van Hendrik IV geschonden waren door opstandige Saksen, die de kinderskeletjes vertrapten.

[10] Steindorff II, 300.

[11] Ibidem, 301.

[12] Ibidem.

[13] Ibidem, 303. D.HIII. 340.

Geplaatst in Afkomst en jeugd | Een reactie plaatsen