Sinsheim. De nakomelingen van de koning die hij niet in Speyer kon begraven.

Reeds de aartsvaders in het Oude Testament, aan wie de middeleeuwse vorsten zich graag spiegelden, waren polygaam geweest. Uit de tijd van de Germaanse kerstening dateerde het begrip “Friedelehe”, een huwelijk met een “concubine” (bijvrouw) dat niet door de kerk werd ingezegend, maar toch niet zonder betekenis was. De bastaardkinderen van de Karolingische en Ottoonse koningen genoten een hoog maatschappelijk aanzien, kregen meestal een bisschopsambt en brachten het soms zelfs tot koning.

Ook Hendrik III heeft naast de door zijn ouders uit politieke overwegingen voor hem gearrangeerde huwelijken relaties onderhouden met vrouwen die een meer persoonlijke betekenis voor hem hadden. Van de kinderen die vervolgens werden geboren, zijn twee met name bekend, Azela en Cuno. De Jahrbücher van Bresslau en Steindorff zwijgen hier preuts over en het gebrek aan geschreven bronnen laat veel vragen onbeantwoord, maar door wat puzzelstukjes aan elkaar te passen kan men het volgende beeld reconstrueren.

De bastaardkinderen van zowel Koenraad II als Hendrik III hadden banden met de afstammelingen van Graaf Zeizolf, die eind 10e– begin 11e eeuw in Wormsfeld aantoonbaar is als vazal van Koenraad van Karinthië, de oom van Koenraad II. De namen Zeizolf en Wolfram komen in hun geslacht veelvuldig voor. Speyer, de Nahegau en Wormsfeld werden naar het schijnt door leden van deze familie als vice-graven en vertegenwoordigers van de Saliërs bestuurd[1]. Koenraad II moet voor zijn huwelijk met Gisela een relatie hebben gehad met een dame uit de Zeizolf/Wolfram- familie waaruit de in 1031 gestorven zoon Wolfram geboren werd.

Over bisschop Johannes I van Speyer (1090-1104) zeggen de Annales Spirenses dat hij een zoon was van graaf Wolfram in de Kraichgau, (die ook uit de bovengenoemde familie te Wormsfeld stamde) en “Azela”, een verder onbekende zuster van Hendrik IV.[2] De naam Azela is een vleivorm van Adelheid, zoals ook de grootmoeder van Hendrik III heette. Johannes, die in 1063 geboren werd, had twee oudere broers, Zeizolf en Wolfram en een zuster, gravin Judda (ook de naam Judith kwam in de familie van Hendrik III voor). Verder was er nog een nicht, de dochter van Zeizolf, die ook Adelheid heette.[3]

De Annalen van Speyer gaan uitgebreid in op het leven van deze bisschop van koninklijken bloede en zijn overige familieleden, afstammelingen van Hendrik III met hun bezittingen.

“Bisschop Johannes, was de zoon van graaf Wolfram van Arduenne, die veel graafschappen bezat, namelijk in de Kraichgau en Enzeberch en vele bezittingen, die hem verwekte bij Azela, een zuster van Hendrik de Oudere (Hendrik IV). Een broer van bisschop Johannes was graaf Zeizolf en gravin Adelheidis was een dochter van zijn  broer, die getrouwd was met paltsgraaf Hendrik maar zonder kinderen bleef. Uit hun verbintenis kwamen Kestenburc, Meystersel en Diethensheim aan de kerk van Speyer.

 

 

 

 

 

 

Hendrik de Oudere bracht de zoon van zijn zuster toen hij een jongen was naar Worms. Bisschop Johannes werd aartsdiaken van Sinsheim en keek toe in Worms. En bisschop Johannes ruilde met de bisschop van Worms en gaf hem twee parochies Batinheim en Neberouwe in ruil voor de kerk van Sinsheim. De kerk van Sinsheim was gesticht door de overgrootvader van de genoemde bisschop Johannes en hij was er begraven door de kanunniken.

Deze bracht hij over naar Speyer naar St. Germanus en stichtte daar een aartsdiakonaat.En hij bracht monniken mee van St. Germanus waar koning Dagobert bijgezet was en introduceerde hen bij de monniken van Sybergen. En hij verrijkte haar (de kerk) zeer. Hij bracht naar de kerk van Speyer zijn allodium Steinweiler en hij herstelde aldaar het patronaat van St. Lambertus[4]. Veel gaf hij aan de kerk van Speyer, al zijn vazallen en ridders, boerenfamilies gaf hij aan Sinsheim. Uit liefde gaf gravin Adelheydis haar graafschap Enzesberch, Sinsheim en veel landgoederen. Hij/zij gaf aan de kerk van Speyer veel bezittingen. Hij/zij bouwde zelfs een abdij in Blaubeuren in Zwaben. Bisschop Johannes gaf prebenden terug aan Speyer en met hem en door hem vermeerderde Hendrik de Oudere de schatten van de kerk van Speyer.

Nadat hij 16 jaar de kerk van Speyer geregeerd had, stierf hij tijdens het schisma dat er was tussen paus Paschalis en zijn moedersbroer Hendrik IV. Hij is begraven in Sinsheim bij zijn moeder Azela en zijn broer Zeizolf. Daar is ook zijn vader graaf Wolfram begraven en graaf Siegfried[5] en de heilige gravin Adelheydis en de hele nakomelingschap van de koningen die hij niet overbrengen kon naar Speyer.

Na de dood van bisschop Johannes ging gravin Adelheydis naar Rome om vergiffenis voor hem te vragen omdat hij bij zijn moedersbroer gebleven was tijdens diens schisma. En zij gaf veel geschenken aan paus Paschalis die hem absolutie verleende.

Bisschop Johannes was maagd en heilig. En veel geweeklaag klonk na zijn dood van zowel de vorsten, de clerus en het hele volk. Hij was zeer bezig geweest met het herstellen van kerken en het verdelen van aalmoezen. Alles wat hij bezat uit het overlijden van zijn ouders gaf hij aan God en de kerken. Hij was een mooie man, gematigd en beschroomd. ’s Nachts hield hij vigiliën en maakte ommegangen rond de gebedshuizen van Speyer. Hij hield veel van de armen. Hij stierf op 41-jarige leeftijd.”[6]

De betrouwbaarheid van de annalen van Speyer, en daarmee het bestaan van Azela, de zuster van Hendrik IV, werd door Gerold Meyer von Knonau resoluut van de hand gewezen[7]. Hij wees erop dat Johannes niet door Hendrik IV tot bisschop verheven kan zijn toen hij nog een jongen was.  In 1090 was Hendrik IV zoals bekend allang volwassen. Maar zo staat het er ook niet geschreven. Johannes zelf was nog een jongen toen hij door Hendrik IV voor zijn opleiding naar Worms gebracht werd. De annalist gaat inderdaad slordig te werk wanneer hij het heeft over de drie dochters van Hendrik V die hij tijdens zijn leven zou hebben uitgehuwelijkt. Hoewel het niet uitgesloten is dat Hendrik V drie dochters heeft gehad – één dochter, Bertha[8], trouwde in 1117 met graaf Tolomeo II van Tusculum,[9] – is de rest van het verhaal nogal rommelig[10]. Afgezien van deze omissie is er geen reden om aan de hele inhoud van de annalen van Speyer te twijfelen. Als  Hendrik V drie dochters zou hebben gehad, zou hij ze waarschijnlijk Adelheid, Agnes en Bertha hebben genoemd. In die volgorde. Eerst werden de zusters van de koning benoemd en dan zijn moeder. Uit de mededelingen in de annalen van Speyer zijn in elk geval een Adelheid en een Agnes te distilleren. Een dochter Bertha kenden we dus al uit een andere bron[11].

Nog avontuurlijker is de volgende bewering van de annalist van Speyer:  “Deze zelfde keizer had als echtgenote een zuster van hertog Welf van Beieren”. Bedoeld wordt waarschijnlijk hertog Welf V de Dikke (1072-1120), tijdgenoot van Hendrik V, die een zuster had die Kunizza heette[12]. Over betrekkingen tussen Hendrik V en de zuster van Welf is overigens niets bekend.[13]

De opmerking zet ons wel op het spoor een andere keizer die intieme relaties onderhield met een zekere C(h)uniza. Deze naam, een vleivorm van Kunigunde, komt voor bij het Luxemburgse gravenhuis en werd ook doorgegeven in de familie van de Welfen.

In zijn 382 bewaard gebleven oorkonden geeft Hendrik III eigenlijk nooit landgoederen aan vrouwen. De enige uitzonderingen waren zijn echtgenote Agnes en Cuniza. Deze vrouw moet voor Hendrik III van bijzondere betekenis zijn geweest en verschillende indicaties doen het vermoeden rijzen dat zij zelfs zijn geliefde was.

In april 1046 gaf Hendrik III haar een praedium (landgoed) en wel om drie redenen: “uit liefde en op voorspraak van onze geliefde echtgenote koningin Agnes en niet minder wegens haar frequente diensten” [14]. De voorspraak van de koningin en het servitium zijn gebruikelijk, maar de liefdesverklaring ob amorem was slechts voor enkele zeer getrouwen weggelegd[15].

Begin juli 1046, enkele maanden nadat Cuniza als dank voor haar frequente diensten dit landgoed had ontvangen en zich waarschijnlijk van het hof teruggetrokken om zich in haar nieuwe bezit te vestigen, deed Hendrik omvangrijke landschenkingen aan zijn wettige echtgenote Agnes met wie hij al tweeënhalf jaar getrouwd was. Dit is merkwaardig want dergelijke giften werden gewoonlijk kort na de huwelijksvoltrekking gedaan en daarna niet weer. Opvallend zijn ook de bewoordingen waarmee hij haar openlijk zijn liefde betuigde[16]. Het lijkt alsof hij pas nu werkelijk voor haar gekozen had, nadat hij zijn minnares had afgekocht.

Na 1048 trouwde Cuniza met Swigger, een militus (ridder) van Hendrik III[17]. Dit doet denken aan de praktijken van Hendrik IV van wie beweerd werd dat hij zijn afgedankte maîtresses, die veelal afkomstig waren uit de hoogste adel, stelselmatig met zijn ministerialen liet huwen.[18]

Voordat zij trouwde had zij echter al een zoon, Cuno. Deze was in 1057 dienstman van Hendrik IV en ontving van hem het leengoed dat hij onder Hendrik III bezeten had in de graafschap Malstad in eigendom.[19] Hij werd de stamvader van de graven van Hagen-Münzenberg, had een Salische naam en ook onder zijn nakomelingen kwamen de namen Cuno en Koenraad veelvuldig voor[20]. Was hij een natuurlijke zoon van Hendrik III? Het lijkt erop dat hij door Hendrik III tot de familie werd gerekend. In een charter uit 1056[21] wordt  gesproken van “onze bloedverwant heer Cuono”, die onder meer bezittingen blijkt te hebben in Bruchsal, het woud Luzhart in de Kraichgau, in de graafschap van graaf Wolfram[22], die hij aan Hendrik III heeft overgedragen, die ze vervolgens schonk aan de kerk van Speyer. Deze onbekende bloedverwant[23] kan identiek geweest zijn met de Cuno van Cuniza. De “tak” van Koenraad van Karinthië was al in 1039 met Koenraad de Jongere uitgestorven en van andere Cuno’s in de naaste familie van Hendrik III is niets bekend.

Cuno kreeg een bijzondere taak door na de dood van Hendrik III de opvoeding van Hendrik IV voor zijn rekening te nemen; hij behoorde als pedissequus iuvenis (kamenier en opvoeder) tot de trouwste metgezellen van de jonge koning. Hendrik IV was zozeer op hem gesteld, dat men er op rekende dat hij zijn leven voor hem zou wagen. In 1069 werd een aanslag op Cuno beraamd, waarbij het de bedoeling was dat Hendrik IV bij diens hulpgeroep naar buiten zou snellen om hem te redden, zodat zij beiden gedood zou kunnen worden. Het geval werd zeer hoog opgenomen en leidde dit tot de val van de Beierse hertog Otto van Nordheim.

Op 18 november 1057, ruim een jaar na de dood van Hendrik III, kreeg Cuniza, die deze keer in de oorkonde nadrukkelijk domna en mulier (echtgenote) werd genoemd, 10 hoeves in (Nieder-)Wölstedt[24] in eigendom, in de graafschap Malstedt waar Cuno ook al grondbezit gekregen had. Deze schenking, gedaan door keizerin Agnes, was ten behoeve van het zielenheil van Hendrik III, alsof bij wijze van boete hiermee een schuld of zonde van de keizer gecompenseerd moest worden.[25]

Een parallel hiermee is de schenking van drie koningshoeven door de jonge Hendrik IV, op voorspraak van keizerin Agnes, aan het stift St. Pölten, op 2 oktober 1058. Deze gift is opgedragen aan het zielenheil van zijn overleden kindermeisje Imme dat in St. Pölten voor de drempel van het Stift begraven lag en tegelijkertijd aan het zielenheil van zijn geliefde vader wijlen keizer Hendrik III. Het zielenheil van de keizer en dat van het kindermeisje werden in één oorkonde genoemd, alsof zij bij elkaar hoorden[26]. Het begraven van Imme vóór de drempel van het Stift had ongetwijfeld een rituele betekenis, als teken van nederigheid en boete. Was zij een zondares en moest zij daarom met haar graf als deurmat dienen?

Een derde geval van deze soort is de schenking door Hendrik IV in het jaar 1067 van het landgoed Asing (Neder-Oostenrijk) aan de verder onbekende vrouw (mulier) Lantwich. Ook deze gift is speciaal opgedragen aan het zielenheil van de overleden Hendrik III.[27]

Cuniza, Imme en Lantwich waren drie vrouwen bij wie de nabestaanden van Hendrik III een schuld voor hem afkochten, door hen een geschenk te geven dat opgedragen was aan zijn zielenheil. Had hij bij hen gezondigd, waren zij door hem onteerd en moest dat weer worden goedgemaakt voordat zijn ziel rust kon vinden?

Waarschijnlijk werd de bastaardzoon van Hendrik III al geboren voor diens huwelijk met Gunhild. Hij die trouwde met de “zeer edele vrouw Mathilde”[28] en in 1056 al een gesetteld landheer was[29], zal waarschijnlijk niet na 1036 geboren zijn. Azela moet van dezelfde generatie als Cuno zijn geweest, aangezien haar derde zoon Johannes in 1063 geboren werd. Of Cuniza behalve van Cuno ook de moeder van Azela was, is niet aantoonbaar. De mogelijkheid echter dat Cuno eigenaar is geweest van de “Salische” plaats Bruchsal, die gelegen was in de graafschap van graaf Wolfram (Azela’s echtgenoot), brengt hen met elkaar in verband[30]. Opmerkelijk is ook dat de annalist van Speyer van haar bestaan geweten lijkt te hebben; hij kende immers haar naam, die gelijk luidde aan die van zowel de zuster van hertog Welf III als de zuster van hertog Welf V maar hij noemde haar abusievelijk de vrouw van Hendrik V in plaats van Hendrik III.

De annalen van Speyer maken bovendien mogelijk dat Cuniza, de moeder van Azela een kleindochter van een zekere graaf Siegfried was. Er staat: “de overgrootvader van bisschop Johannes was de stichter van de kerk van Sinsheim. Hij was er begraven door de kanunniken.” En: “Bisschop Johannes is begraven in Sinsheim … daar is ook zijn vader Wolfram begraven en graaf Siegfried…”  De naam Siegfried komt eveneens meermaals voor in het Luxemburgse huis. Ook de vader van keizerin Kunigunde heette Siegfried.

 

[1] Bresslau Jbb I, 6.

[2] Zielinski, H., 48.

[3] Grafen H., “Spuren der ältesten Speyerer Necrologüberlieferung. Ein verlorenes Totenbuch aus dem 11.Jahrhundert“ in: Frühmittelalterliche Studien. 19. Band 1985, 379-431.

[4] Lambertus is een Salische huisheilige.

[5] Ook de naam Siegfried kwam voor bij de graven van Luxemburg. Zo heette ook de vader van keizerin Kunigunde.

[6] Annales Spirenses, MGH SS 17, p. 82-83. “Iohannis episcopus, filius Wolframi comitis Arduenne, qui multos comitatus habebat, scilicent in Creychouwe et Enzeberch, et multas possesiones, qui genuit eum de Azela, sororis de Heinrici senioris. Cuius episcopi iohannis Spirensis frater fuit Ceizolfus comes, et Adelheidis comitissa fuit filia fratris sui, que habuit heinricum palatinum de Tuwingen, que comitissa prole caruit. De genere illorum venit kestenburc et Meystersel et Diethensheim ecclesie Spirensi. Heinricus senior contulit filio sororis sue episcopatum Spirensem dum puer esset. Iohannes episcopus Sunnisheim archidiaconus erat et spectabat ad Wormaciam. Et Iohannes episcopus cambivit cum episcopo Wormacienci et dedit sibi duas parrochias Bathinheim et neberouwe pro ecclesia sunnesheim. Sunnesheim ecclesia fundat erat a proavis dicti Iohannis episcopi et deposita erat per canonicos. Quos transtulit inde Spiram ad Sanctum Germanum et fecit ibi archidiaconatum. Et transtulit monachos de sancto Germano Sunnesheim, quo Dagobertus rex illic locaverat, et introduxit eciam cum eiis Sybergenses monachos et valde ditavit eam. Contulit spirensi ecclesie allodium suum Stheinwilre, et patronatum ibidem monasterio sancti lamperti quod restaravit. Preter hec multa contulit ecclesie spirensi, omnes fasallos suos milites contulit ei, rusticanam familiam contulit Sunnesheim; pro dilectione ipsius comitisse Adelheydis contulit comiciam suam in Enzesberch, sunnesheim et multa predia. Ddit eciam ecclesie spirensi multas possesiones. Construxit eciam abbaciam in Blabarra in Suevia. Iohannes episcopus prebendas duxit Spire, et cum eo et per eum heinricus senior ampliavit dotem ecclesie Spirensis. Postquam 16 annis rexit eclesiam Spirensem, mortuus est in scismate, quod erat inter Paschalem paem et Heinricum quartum avunculus ipsius. Sepultatus est Sunnesheim iuxta matrem Aelam et fratrem Ceyzolfum comituem. Sepultus est et ibi pater suus Wolframus comes, et Sifridus comes et sancta adelheidis comitissa et tota generacio de regibus que potuit transferri Spiram. Post mortem Iohannis episcopi , adelheydis comitissa Romam ivit pro absolutione ipsius, quia steterat cum avunculo suo in scismate. Et donavit multa dona Pascali pape, qui absolvit eam. Iohannes episcopus virgo fuit et sanctus. Et magnus planctus factus est de morte ipsius tam a principibusque a clero et omni populo. Valde ccupatus fuit in restaurandis ecclesiis et distribuendis elemosinis. Omnia que habuit ex morte parentum suorum, contulit. Deo et ecclessiis. Pulcher fuit homo, mansuetus et verecundus, et noctibus agebat vigilias et circuivit oratoria spire. Valde dilexit pauperes. Mortuus est anno etatis sue 41. »

[7] Jbb IV, 291, n. 34: …indessen irrt der Verfasser der Annales in seinen Angaben über die Salier – Heinrich IV. habe als puer jetzt 1090 das Bisthum an Johannes ertheilt, Heinrich V. habe drei Töchter gehabt – so sehr, dass auf die Einschiebung der Mutter Azela als Tochter Heinrichs III. Gewiss gar kein Gewicht zu legen ist.

[8] Gestorven vóór 1141.

[9] Gestorven in 1153. Zij hadden twee zonen, Rainald en Gionata.

[10]Qui tres filias habuit, quas desponsavit vivens, unam duci Saxonie Willemo, alteram Cunrado duci orientalis Francie de Rotinburc, terciam Friderico duci Suevie monucolo de Sthouf.”  Met Willelmo wordt waarschijnlijk Wilhelm graaf van Ballenstedt, paltsgraaf bij Rhein en graaf van Weimar-Orlamünde  (1112-1140) bedoeld, die een echtgenote had waarvan niet meer bekend is dan dat zij de “Salische” naam Adelheid droeg. Frederik I van Staufen was getrouwd met een dochter van Hendrik IV, Agnes van Waiblingen. En een zoon van deze Agnes, koning Koenraad III,  werd hertog van Rothenburg.

[11] Chronica Mon. Casinensis, 1117. Lexikon des Mittelalters, Bnd. VIII, p. 1122; Meyer von Knonau, G, Jbb VII, p. 33.

[12] Kunizza († 6 maart 1120) was getrouwd met Friedrich Rocho, graaf van Dießen.

[13] Ipse autem imperator habebat in uxorem sororem Welfonis ducis Noricum. Welf de Dikke was een zoon  van Welf IV (1030/40 – 1101), oftewel hertog Welf I van Beieren. Deze was de enige zoon van markgraaf Albert Azzo II van Este en Kunigunde (Chuniza)  van Altdorf, dochter van graaf Welf II, zuster van hertog Welf III van Karinthië en tevens een nicht van de uit Luxemburg afkomstige keizerin Kunigunde, wier grootmoeder Cunice genoemd werd. Hij had een dochter met de naam Kunizza († 6 maart 1120), die trouwde met Friedrich Rocho, graaf van Dießen.

[14] D.HIII 151, Nijmegen, april 1046, …qualiter nos ob amorem ac peticionem Agnestis reginae nostrae contectalis dilectae nec non de eius frequens servitium…

[15] Het landgoed dat Cuniza kreeg, Vanaha of Venne een “Wüstung”bij Gudensberg in Hessen, lag in de graafschap van een andere “intieme getrouwe” van Hendrik III, zijn banierdrager graaf Werner II.

[16] D HIII 160, 161, 162.

[17] Swigger kreeg in 1048 op een andere plaats eveneens landgoederen ten geschenke, hij was toen nog niet met Cuniza getrouwd.Haar naam werd later ingevoegd.  Hun oorkonden behoren tot hetzelfde familiearchief. Zie het commentaar bij D.HIII 151. in: Die Urkunden Heinrichs III.

[18] Volgens beschuldigingen door Lampert van Hersfeld en in Bruno, Das Buch vom Sächsischen Krieg.

[19] D.HIV 21. Corvey, 28 mei 1057,

[20] Toelichting bij D. HIV 21.

[21] D.HIII 370: ” nostre proprietatis curtem Bruochsele dictam cum foresto ad eandem curtem pertinente Luzhart nominato in pago Cragowe et in comitatu Wolframmi comitis sitam, quam nobis consanguineus noster dominus Cuono in proprium tradidit”.

[22] Wolfram, H., 46.

[23] Die Urkunden Heinrichs. III, p. 619: „Unbekannter Verwandter Henrichs III“.

[24] “In de graafschap Malstadt van graaf Bertold”, bij Friedberg in Oberhessen.

[25] D.HIV 30, “pro remedio animę cari genitoris nostri Heinrici tercii regis”. Op voorspraak van Agnes.

[26] D.HIV 41, “ob interventum atque petitionem Agnetis dilectissime genitricis nostre imperatricis auguste pro anima cari genitoris Heinrici imperatoris memorie felicis … et pro anima Imme nostre pedisseque ante ianuam eiusdem monasterii sepulte”.

[27] D.HIV 189. Regensburg, 1067.

[28] D HIV 137. Zij ontving een landgoed in Ohmen, Fischborn en Strassheim inde graafschap Malstat van graaf Bertold (Gemeinde Ockstadt bij Friedberg in Oberhessen.

[29] Cuno moet in 1057 al volwassen zijn geweest. In  D. H.IV 21. krijgt hij van Hendrik IV het leen ten geschenke dat hij onder Hendrik III al had, in (Mar-)köbel, Himbach en (Langen-) Bergheim in de graafschap Malstat van Bertold in Oberhessen..

[30] Later in de elfde eeuw komen we de combinatie van de namen Koenraad en Wolfram nog een keer tegen bij twee broers die nauwe betrekkingen hadden tot het hof, bisschop Koenraad van Utrecht (1076-1099), de opvoeder van Hendrik V en diens broer abt Wolfram (1078-1109) van het Hendrik IV goedgezinde klooster Prüm bij Trier.

Advertenties

Over Ria van Loenen

Historica en tekstschrijfster, werkt aan de eerste biografie van de middeleeuwse koning en keizer Hendrik III (1039-1056), heeft een aantal essays over keizer Hendrik IV (1050-1106) geschreven en werkt aan een reconstructie van het leven van zanger en componist Marc'Antonio Pasqualini (1614-1691).
Dit bericht werd geplaatst in Persoonlijkheid en uiterlijk, Uncategorized. Bookmark de permalink .

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s