Scènes uit een huwelijk

 

“Over de echtscheiding van koningin Praxedis en koning Hendrik”[1]

 

 

Grootvorst Vsevolod I (1030-1093) regeerde het Rijk van Kiev van 1076 tot aan zijn dood. Hij was de vierde en favoriete zoon van Jaroslav I de Wijze en Ingigerd Olafsdottir en hij stond bekend als een geleerd man, die vijf talen vloeiend beheerste. Nadat zijn Byzantijnse echtgenote in 1067 overleden was, trouwde Vsevolod met Anna, een prinses uit het Kypchak-volk. De Kypchaks vormden een confederatie van nomadische krijgers van Turkssprekende origine, die in yurts  (verplaatsbare tenten) leefden en rondtrokken in centraal Azië, ongeveer zoals in the film “The Story of the Weeping Camel”.

Uit het huwelijk werd een zoon geboren, die verdronk in de slag bij de rivier de Stugna en twee dochters, waarvan er één non werd. De ander, Praxedis (dit was de naam van een heilige, Eupraxia in het Grieks), trouwde met Hendrik I de Lange, markgraaf van het Saksische graafschap Stade. Een oom van Praxedis, de broer van haar vader, was eerder al in het huwelijk getreden met de Saksische gravin Oda van Elsthorp (een kleindochter van een van de halfbroers van keizer Hendrik III). Misschien was het huwelijk van Praxedis met de graaf van Stade via deze familiaire contacten gearrangeerd. De prinses uit het oosten baarde veel opzien in Saksen. Zij arriveerde met een heuse kamelenkaravaan die beladen was met de kostbaarste schatten uit de Oriënt.

In 1087 werd Praxedis weduwe en Hendrik IV werd weduwnaar. Voordat zij in augustus 1089 met elkaar trouwden, woonde Praxedis enige tijd in het klooster Quedlinburg, dat bestierd werd door abdis Adelheid, de oudere zuster van de keizer. Misschien werden zij hier aan elkaar voorgesteld. Misschien was het liefde op het eerste gezicht. Met enige fantasie kan men zich voorstellen dat de melange van Tartaars, Viking en Aziatisch bloed bij Praxedis een speciale exotische schoonheid had opgeleverd. Hendrik IV verlangde al vanaf zijn jeugd naar een romantisch huwelijk. Hij had immers geprobeerd van Bertha te scheiden “om voor hen beiden de weg naar een ander, gelukkiger huwelijk vrij te maken”[2]. En –  misschien  –  dacht hij nu op 38-jarige leeftijd het geluk gevonden te hebben bij deze nog geen 20-jarige groene weduwe.

In een recente  biografie van Hendrik IV door Gerd Althoff wordt in voorzichtige bewoordingen het vermoeden geuit dat Praxedis mogelijk als gijzelaar diende om de vrede met de Saksen te waarborgen. Dit zou dan de reden geweest zijn waarom Hendrik IV haar slecht behandeld zou hebben nadat de Saksen de vrede hadden geschonden[3]. Hoewel het inderdaad in de middeleeuwen niet ongebruikelijk was om met de weduwe van een overwonnen vijand te trouwen en hoewel een politiek huwelijk in het belang van de stabiliteit was, blijft de vraag wat de aanwezigheid van Praxedis tot de vrede met de Saksen had kunnen bijdragen. Zij behoorde als Russische prinses niet tot de Saksische adel en was na een kortstondig en kinderloos huwelijk ook niet diep geworteld in het hertogdom. Voor de Saksen was haar betekenis na het overlijden van de markgraaf voorbij en een normale gang van zaken zou geweest zijn dat zij naar haar vaderland terugkeerde. De Annalen van Dissibodenberg[4] zeggen bovendien dat Hendrik haar aanvankelijk had liefgehad, wat ook niet voor strategische overwegingen bij het huwelijk spreekt.

Praxedis, die bij haar kroning tot koningin de naam van Hendriks zuster Adelheid aannam, werd nooit deelgenoot in de regering zoals haar voorgangsters dat geweest waren en zij fungeerde ook niet als voorspreker in de oorkonden van de keizer. Voelde zij zich achtergesteld? Stelde zij teleur? Misschien was zij onvoldoende opgeleid of wilde Hendrik IV zich domweg niet meer laten beraden door een vrouw, zoals paus Gregorius VII dat wel regelmatig deed. De Ottoonse keizerinnen hadden van oudsher beter onderwijs genoten dan hun krijgshaftige mannen. Samen met de priesters bezaten zij een monopolie op geletterdheid. Vanaf de tijd van Hendrik III nam het lekenonderwijs aan adellijke mannen toe. Deze begonnen nu hun achterstand in te halen. Over Hendrik IV wordt door de schrijver van zijn Vita  dan ook met trots bericht dat hij alle brieven en oorkonden zelf kon lezen en begrijpen. Hij was dus niet afhankelijk van een echtgenote, zoals bijvoorbeeld Koenraad II dit nog wel in sterke mate geweest was.

In de loop van het jaar 1093 raakte Hendrik IV gebrouilleerd met zijn tweede vrouw: ”Koning Hendrik begon een haat te ontwikkelen tegen koningin Adelheid, die hij tot zijn echtgenote gemaakt had, zodat zijn haat groter werd dan zijn liefde, terwijl hij haar eerst had liefgehad. Want hij liet haar bewaken en nam afstand van haar opdat zeer velen haar geweld konden aandoen.

De bewaking van Praxedis hield op de een of andere manier verband met de afvalligheid van zoon Koenraad: “Koenraad, de zoon van keizer Hendrik, rebelleerde tegen zijn vader om deze reden.”, Koenraad zou er toe aangezet zijn om met Praxedis het bed te delen. Door wie hij hiertoe aangespoord werd is echter niet vermeld. In ieder geval vond de Annalenschrijver van Dissibodenberg dat er sprake was van een dwaze situatie: “Want er wordt gezegd dat de volgende dwaasheid zich voordeed, dat zijn genoemde zoon aangespoord werd om bij haar binnen te treden”. De volgende stap is in dit verhaal is de ontkenning van Koenraad dat hij met haar naar bed geweest is. Zijn vader beledigt hem dan met de bewering dat hij niet zijn zoon is maar een bastaard: “Toen hij ontkende het bed van zijn vader bezoedeld te hebben, verzekerde de koning hem die aangespoord was, dat hij niet zijn zoon was, maar de zoon van een vreemdeling, te weten een edelman uit Zwaben wiens gezicht veel leek op dat van voornoemde Koenraad.”[5]

Het taalgebruik in de Annales Dissibodi , door Meyer von Knonau als “gezwets” ter zijde geschoven, is niet erg direct en eenduidig, maar tussen de regels door lezend krijgt men de indruk dat Hendrik IV zijn vrouw en zijn zoon verdacht van een liefdesrelatie. Toen Koenraad dit ontkende, beweerde Hendrik IV dat hij zijn zoon niet was en vergeleek hem met een edelman uit Zwaben, die zijn echte vader zou zijn. Bedoelde hij soms Rudolf van Zwaben, zijn trouweloze zwager en tegenkoning? Een mogelijke parallel zou kunnen zijn dat de zuster van de keizer door Rudolf geschaakt was[6], en zijn vrouw door Koenraad verleid. Zo vader, zo zoon. Een dergelijke vernietigende vergelijking impliceerde dat de keizer Koenraad niet langer beschouwde als zijn zoon en opvolger. Hij verklaarde hem tot bastaard. Koenraad had nu een begrijpelijk motief om te rebelleren.

Donizo, de auteur van de Vita Mathildis wist ook dat Hendrik IV redenen had om zijn vrouw van overspel te beschuldigen, maar hij wilde niet uitweiden over de details:

 

“Over de scheiding van koningin Praxedis van koning Hendrik en de opstand van de Langobarden.

Ook werd de koning geraakt door een slecht voorgevoel; zeer zeker van haar echtbreuk begon hij zijn echtgenote te verwerpen. Hierover moge het gedicht zwijgen opdat het hierdoor niet te zeer ontaard wordt. Maar over koningin Praxedis echter moge het gedicht verhalen. Zij vreesde haar echtgenoot zoals een lam de tanden van de wolf vreest. En terwijl ze beefde van angst zocht zij tersluiks het bolwerk van Mathilde op”.[7]

 

Gerd Althoff stoort zich – niet ten onrechte  –  aan het gemak waarmee historici tot nu toe beschuldigingen tegen Hendrik IV van elk waarheidsgehalte ontdaan hebben. Dit geldt in het bijzonder voor de berichten over de behandeling van Praxedis. “De zekerheid waarmee een “unbescholtene Frau” van schaamteloze leugens beschuldigd werd, onthult vooral de vooroordelen van de onderzoekers.” [8] Praxedis was echter geen vrouw van onbesproken gedrag. Zij werd verdacht van echtbreuk, was daarom onder bewaking gesteld en was zwanger – mogelijk van haar stiefzoon, die overgelopen was naar Mathilde van Canossa. Dit aspect wordt door Althoff buiten beschouwing gelaten. Na haar ontsnapping liet Hendrik IV haar, omdat zij een kind verwachtte, overal in Lombardije zoeken.[9]

Hoewel hij haar niet meer vertrouwde wijst niets erop dat Hendrik IV zijn overspelige echtgenote wilde verstoten. Integendeel, hij liet haar bewaken om te voorkomen dat zij wegliep. Hiermee maakte hij een tactische fout en speelde hij zijn vijanden ongewild een sterke troef in handen. Volgens het Romeins Recht, dat in de elfde eeuw ijverig bestudeerd en geciteerd werd, kon hij nu worden aangeklaagd als souteneur.

In de Leges Juliae, een serie wetten betreffende het huwelijk, die keizer Augustus tussen 18 en 17 v. Chr.  uitvaardigde, was namelijk bepaald dat: “A husband who does not at once dismiss his wife whom he has discovered committing adultery can be prosecuted as a pimp”.[10]

Aan het hof van Canossa was al in 1055 het Romeins huwelijksrecht ingezet om de eigen positie bij conflicten met het rijksgezag te verdedigen. Toen keizer Hendrik III markgravin Beatrix, de moeder van Mathilde, ter verantwoording riep omdat zij een huwelijk met Godfried van Lotharingen had gesloten zonder zijn toestemming, kreeg hij te horen dat zij “volgens de wetten van haar volk” in haar recht stond door een man te trouwen die in staat was haar bezittingen te verdedigen, “zoals in het Romeinse Rijk voor adellijke vrouwen” gebruikelijk was geweest.[11]. Koningin Praxedis legde – waarschijnlijk niet zonder aan het hof van Mathilde gedegen juridisch advies te hebben gekregen – een openbare verklaring af waarin zij mededeelde “niet te kunnen weten wie de vader van haar kind was”, omdat zij door haar keizerlijke gemaal “tot prostitutie gedwongen was.”[12]

Het vocabulaire van de aanklagers was ontleend aan klassieke Romeinse bronnen. In de brief van bisschop Herrand van Halberstadt[13] over “de zaak van koning Hendrik” wordt het woord lupanar gebruikt, dat verwijst naar de tijd van keizer Nero. Volgens Tacitus waren de lupanari veelal dames uit de adel, die toen onder de prostituees een aparte categorie vormden[14]. Deusdedit[15] noemt Hendrik IV letterlijk “keizer Nero” Ook in Donizo’s Vita Mathildis  wordt Hendrik IV met Nero vergeleken. Met zijn benoeming van tegenpaus Wibert heeft hij Petrus gekruisigd, Paulus onthoofd en de buik van zijn moeder doorstoken.[16] Om de ellende compleet te maken zou Hendrik IV het lichaam van zijn echtgenote ook nog misbruikt hebben voor heidense rituelen (impietatis cultum, een afgodsdienst of zwarte mis)[17]. Hiermee was haar overlopen naar de vijand “gemakkelijk te excuseren”.[18]

Veelzeggend genoeg werden de door Praxedis gedane beschuldigingen niet bevestigd door Koenraad. De geruchten die over zijn vader de ronde deden werden door hem “afgekraakt” (laniabat) en ondanks zijn eigen afvalligheid bleef hij zijn vader toch steeds als zijn heer en keizer betitelen. Alle afgevaardigden van het paleis van zijn vader behandelde hij vriendelijk en welwillend[19] .

Hendrik IV lijkt niet bereid of in staat geweest te zijn om in het openbaar op de aanklachten te reageren. Volgens de schrijver van zijn Vita nam hij het slechte nieuws uiterlijk onbewogen op, volgens een Gregoriaanse bron echter kon hij er slechts met moeite van worden weerhouden zich van het leven te beroven – waarmee hij maar weer eens bewees een tiran à la koning Herodes te zijn[20]. Een jaar lang verrichtte hij geen enkele regeringsdaad waarvan men weet[21].

Maar wanneer de nood het hoogst was, waren er altijd mensen die het voor hem opnamen. Vitale Falier Dodoni, de doge van Venetië onthaalde hem gastvrij in zijn paleis en stelde zoveel vertrouwen in de gevallen keizer dat hij hem vroeg peetvader te willen zijn van zijn dochtertje Enrica, dat bij de doop naar hem genoemd werd. Hendrik IV was in 1094 aanwezig bij de inwijding van de ongekend fraaie nieuwe basiliek San Marco en was getuige van de translatie van de relieken van de apostel Marcus. Hij kon misschien ook nog meegenieten van het carnaval, een feest dat voor het eerst genoemd werd in een oorkonde van deze doge[22], en er werden munten geslagen met zijn beeltenis en de leeuw van St. Marcus. Deze eerbewijzen tonen aan dat de keizer in Venetië blijkbaar nog niet als een verwerpelijke zondaar beschouwd werd. Hij toonde zijn dankbaarheid en schonk de lagunestad begin 1095 een reeks privileges[23]. Hierin benadrukte Hendrik IV hoe waardevol vriendschap is en dat hij “wijze en discrete bestuurders” altijd als zijn vrienden zal beschouwen en blijven verzorgen:

Quoniam stabilem christianorum principum caritatem operari plurima bona ad multorum utilitatem novimus et viros sapientes ac discretos rectores regnorum suorum notos habere semper et amicos curavimus, … ducem Ueneticorum … habere notum et amicum ad decus imperii nostri stabilitate perpetua decrevimus.[24]

 

Praxedis deed brieven uitgaan naar alle bisschoppen in het rijk en legde een verklaring af op een synode in Piacenza die plaatsvond op 1 maart 1095 en die door zeer veel hoogwaardigheidsbekleders werd bezocht. Het principe dat de Saksische edelen in 1074 gehanteerd hadden bij hun aanklachten te Gerstungen, miste ook hier zijn uitwerking niet. Hoe schokkender het bericht, des te groter is de kans dat het geloofd wordt. “Waar rook is, is vuur”[25].  Deemoedig aan de voeten van paus Urbanus II liggend smeekte zij om absolutie, vertelde over haar lijdensweg en wekte het medelijden van alle aanwezigen. Urbanus schonk haar vergiffenis[26] (Waarvoor eigenlijk? Was zij niet het onschuldige slachtoffer?). De “souteneur” en “satanist” Hendrik IV werd voor de zoveelste keer door een pauselijke banvloek getroffen en – met vele anderen, waaronder koning Filips I van Frankijk – geëxcommuniceerd[27].

Niemand weet wat er geworden is van het kind van Koenraad (?) en Praxedis. Misschien was dit de onbekende Salische bastaarddochter Bertha[28], die in 1117 na bemiddeling door Hendrik V trouwde met graaf Tolomeo II van Tusculum,[29]. Zij wordt gewoonlijk als natuurlijke dochter toegeschreven aan  Hendrik V[30].

Praxedis keerde terug naar haar familie die zich op dat moment in Hongarije bevond. Zij leefde tot 1109 als abdis van het grottenklooster te Kiev waar zij ook begraven is.

 

[1] Donizonis Vita Mathildis.

[2] Lampert van Hersfeld, Landgraf, W., 90.

[3] Althoff, G., Heinrich IV., 217 -219. Een directe aanleiding kan Althoff niet noemen.

[4] Dit is een klooster bij Rüdesheim aan de Rijn.

[5] Annales Disibodi 1093. MGH SS XVII, 14. »Cuonradus, fiius Henrici imperatoris, patri suo hac de causa rebellavit. Henricus rex Adelheidam reginam, quam duxerat uxorem, odio coepit  habere, ut majus esset odium quam dilecto, qua prius eam dilexerat. Nam in custodiam posuit eam, et concessit, ut plerique vim ei inferrent. Dicitur enim talem incidisse dementiam, ut praedictum filium suum hortaretur, quatinus ad eam ingrederetur. Quo recusante patris polluere stratum, eum adhortando rex non suum, sed peregrine filium esse affirmavit, cuiusdam videlicet principis de Suevia, cuius etiam faciem praedictus Cuonradus plurimum assimilavit.”

[6] De oudste zuster van Hendrik IV (Mathilde), werd in 1059 door Rudolf van Rheinfelden geschaakt, een drama met ernstige gevolgen. Het lukte hem zo het hertogdom Zwaben van keizerin Agnes af te persen, dat zij eigenlijk aan Berthold van Zähringen beloofd had  Berthold kwam in opstand, Mathilde overleed binnen een half jaar na het onvrijwillige huwelijk met Rudolf.

[7] Donizo, Vita Mathildis, Lib II, Cap. 8.“De separatione Praxedis reginae ab Heinrico rege, et de adversam Longobardiam. Augurium peius regi quoque contigit; eius flagitium prorsus sua caepit spernere coniunx, quod taceat metrum, nimis hinc ne degeneretur. Ast de regina Praxede tamen metra dicant. Sic timet ipsa virum, dentem velut agna lupinum, Cumque timore tremit, furtim munimina quaerit.”

[8] Heinrich IV, p. 273.

[9] Gerhoch van Reichersberg, De investicacione Antichristi,Lib I, c. 7 : « Instabat inter hec regia profectio de Cisalpinis partibus in Longobardiam destinata, quo et regine commeatus ab impereatore querebatur ; dumque illa pro causis quidem secretioribus, obtensa vero pregnantis ut erat ..”

[10] Matyszak, Ph., The Sons of Caesar. Imperial Rome’s first Dynasty, (Londen, 2006), p. 98.

[11] Lamberti Annales. A 1055 : « Beatrix quoque, dissimulato metu, imperatori obviam processit, et vix impetrata dicendi copia, ait, nihil se egisse praeterquam quod iure gentium sibi agere licuisset ; destitutam se priori marito, desolatae domui patronum paravisse, et ingenuam ingenuo sine fuco nefariae cuiusquam machinationis nupsisse ; nec aequi nec boni memorem eum esse, si id sibi pace eius non liceret, quod in imperio Romano feminis nobilibus semper licuisset ».  Giesebrecht, W., v., deel 3, 518.

[12] Gerhoch van Reichersberg, De investicacione Antichristi, Lib I, c. 7.: “…que a marito ita prostituta sit, ut scire non possit, ex pro prolem conceperit ». Bisschop Herrand van Halberstadt,Epistola de causa Heinrici regis (Libelli de lite, II, 288) : « uxorem propriam scelere omnibus seculis mundi inaudito lupanar facere.. ». Deusdedit, Libellus contra invasores et symoniacos, Lib II, c. 12 : « idem imperator eius (sc. Guiberti) Nero ab uxore, quam multis Deo teste prostituit… »

[13] Zie noot 9.

[14] Champlin, E., Nerone, (Rome – Bari, 2005) p. 199 : ‘Stando a Tacito, i lupanari su una delle spnde erano pieni di donne della nobilità, mentre sulle’altra prostitute nude si esibivano all’aperto ».

[15] Zie noot 9.

[16] Donizonis Vita Mathildis. Lib. II, 245-50.

[17] Gerhoch van Reichersberg: “impietatis cultum…in semetipsa per impudicos admissos experta est ».

[18] Deusdedit, Lib. II, c. 12: “..ut etiam apud inimicos fugam suam facillime excusaret”.

[19] M.v.K. IV, 394, n., „Die chronik des Michelsberger Mönchs“,(Ekkehard van Aura) 1099, MGH, SS VI, 211:.“…murmur, quod per totum Romanum imperium patris sui mores laniabat, quodque sibi offensae patris ac suae ab illo discessionis causa extitit, auribus propriis nunquam patiebatur inferri… semper illum dominum suum et caesarem vel imperatorem cognominans; universos a palatio patris adventantes sub appellatione conservorum, licet infimos, socili benevolentia tractans..“

[20] Bernoldi Chronicon, 1093: „Heinricus vero pater regis in quandam munitionem se contulit, ibique diu absque regia dignitate moratus, nimioque dolere affectus, se ipsum, ut aiunt, morti tradere voluit, sed a suis praeventus ad effectum pevenire non potuit ».

[21] M.v.K. 4, 427: Heinrich ist in der That dem Auge entrückt. Aus dem ganzen Jahre ist nichts bekannt, das mit Sicherheit in dessen Nahmen einzuordnen wäre.“

[22] Rendina, C., I Dogi, storia e segreti, (Rome, 1984), p.101.

[23]

[24] D HIV 442.

[25] Alhoff, G., 272: „Insofern gilt auf für die Vorwürfe auf sexuellem Gebiet die Unschuldsvermutung nur eingeschränkt. Ein solches Urteil huldigt allerdings in gewisser Weise dem Prinzip, das dort, wo Rauch ist, auch Feuer sei.“

[26] Althoff, G., 213, 214.

[27] Koning Philips van Frankrijk werd geëxcommuniceerd omdat hij van zijn vrouw gescheiden was en een nieuwe vrouw genomen had terwijl de vorige nog in leven was. M.v. K. Jbb 4, p.426.

[28] Gestorven vóór 1141.

[29] Gestorven in 1153. Zij hadden twee zonen, Rainald en Gionata.

[30] Volgens de annalenschrijver van Speyer, die de familie goed gekend moet hebben, had Hendrik V drie dochters. Zij worden echter  niet in andere bronnen vermeld, zodat de samensteller van de Jahrbücher Gerold Meyer von Knonau besloot hen naar het rijk der fabelen te verwijzen.

Advertenties

Over Ria van Loenen

Historica en tekstschrijfster, werkt aan de eerste biografie van de middeleeuwse koning en keizer Hendrik III (1039-1056), heeft een aantal essays over keizer Hendrik IV (1050-1106) geschreven en werkt aan een reconstructie van het leven van zanger en componist Marc'Antonio Pasqualini (1614-1691).
Dit bericht werd geplaatst in Beschuldigingen tegen Hendrik IV. Bookmark de permalink .

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s