Een wilde puber

Gedenk uw Schepper in uw jeugd.

Verheug u, o jongeling, in uw jeugd, en uw hart zij vrolijk in uw jongelingsjaren; ja, volg den lust van uw hart en wat uw ogen aanschouwen, maar weet, dat God u om als deze dingen in het gericht zal doen komen. Prediker 11: 9

Tum vero rex Heinricus in annis adolescentiae constitutus et eiusdem aetatis consiliariis assuetus, nobilium et maiorum contra regiam consuetudinem familiaritates horrebat, et cum morum gravitas plurimum habeat laudis in rege, – quia decet esse regem constantem, fortem, severum, magnanimum, beneficum, liberalem-, relictis senibus gravibusque personis, levibus delectabatur et pueris tam sensu quam annis; hinc actum est, ut ad vitia propensior haberetur, quia difficile quis, quod diligit, aspernatur. Coepit ergo pietatem neglegere, questibus inhiare, omnia venalia habere, studere luxuriae, et cum teneretur vinculo matrimonii, matronas tamen plurimas possidebat. Gaudebat multum consortio puerorum et maxime venustorum; sed utrum id vicio fieret, ut aliqui confinxerunt, non satis compertum erat. Illud autem manifestum est, quod uxore contempta vagus et lubricus diversis desideriis agebatur, ut susceptae adulterino concubitu soboles attestantur. Quibus rebus ad aures Ildibrandi perlatis, multorumque litteris et indiciis patefactis, cepit animus christianus habere diu incertum, quid faceret[1].

Hij begon dus de vroomheid te verwaarlozen, naar wetenschappelijk onderzoek te smachten, wilde alle koopwaar hebben, had een voorliefde voor weelde, en terwijl hij vastgehouden werd door de boeien van het huwelijk, bezat hij toch vele getrouwde gezellinnen. Hij vermaakte zich zeer in gezelschap van jongens en het meest in gezelschap van lieftalligen; maar wat hiervan  gebeurd is of wat anderen bedacht hebben was niet voldoende bewezen.

Hij werd vergezeld door andere jongelui en zij vormden een vriendengroep (“consortium puerorum”) die zich overgaf aan het dobbelspel en andere geneugten.

De Harzburg

De Harzburg lag op een lage heuvel aan de noordrand van de Harz, ongeveer 6 km ten zuidoosten van Goslar. Oorspronkelijk heette deze plek de Sacerburg[2] en tot het begin van de 10e eeuw bevond zich hier een heiligdom van Saturnus, (Grieks: Chronos) die door het Saksische volk Krodo genoemd werd. De godheid werd afgebeeld als een man die op een grote vis staat met in zijn rechterhand een pot met bloemen en in zijn linkerhand een chakrawiel. Op de plaats van dit heiligdom stichtte koning Koenraad I  in het jaar 918 een kanunnikenklooster ter ere van St. Valerius, een van de eerste aartsbisschoppen van Trier[3].

Het was Hendrik III geweest die het munster van de Harzburg verplaatste naar Goslar[4], dat wil zeggen de kanunniken, het Valeriusklooster liet hij staan. Hier werd zijn op 10 april 1055 gestorven jongste zoon Koenraad begraven. De voorliefde van Hendrik IV voor de Harzburg dateert misschien uit deze tijd. Van maart tot november 1055 verbleven Hendrik III en keizerin Agnes in Italië en zij hadden hun kinderen gedurende die tijd  in Duitsland achtergelaten. Vermoedelijk dus in de Harzburg.

We weten niet hoe Hendrik IV de dood van zijn twee jaar jongere broertje heeft beleefd, maar vergeten is hij het graf van Koenraad nooit. Zijn eigen zoontje, dat in 1070 kort na de doop stierf, werd hier ook begraven. De dood van een geliefd familielid lijkt voor de Saliers aanleiding geweest te zijn voor het stichten van kloosters en kerken. Koenraad II stichtte het klooster Limburg na de dood van zijn zoon Wolfram, Hendrik III liet een kruis van kerken bouwen rond het hart van Koenraad II en hij stichtte de kerk van Simon en Judas nadat zijn moeder in Goslar was gestorven. De dood van zijn enige broer kan dus voor Hendrik IV het motief geweest zijn om op de Harzburg iets te stichten. Ook zal hij zich bewust geweest zijn van het bekende feit dat hier een heidens heiligdom van de Saksen gestaan had en dat de Valeriuskerk een overwinning van de christelijke koningsmacht symboliseerde.

Hendrik IV, die vanaf zijn vroegste jeugd door de Saksen met de dood bedreigd was, voelde zich op deze heuvel veilig tussen de dikke muren. Zelfs wanneer hij in Goslar hof hield, bracht hij de nacht door in zijn burcht.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Parallellen

 

Das gleiche gilt für Wipos berühmten Vorwurf, Konrad und Gisela hätten 1025 von einem adeligen Kleriker namens Udalrich eine ungeheure Geldsumme, immensa pecunia, für die Verleihung des Baseler Bistums genommen. Später habe der König Reue gezeigt und das Gelübde getan, weder für ein Bistum noch eine Abtei in Zukunft Geld zu nehmen; diesem Gelübde sei er „fast gut“, pene bene, treu geblieben. Jedenfalls habe der Sohn Heinrich III. das Gelübde des Vaters stets aufs beste eingehalten und diesen so entsühnt. Auch der Zeithorizont dieser Mitteilung liegt in den vierziger Jahren des 11. Jahrhunderts und nicht in den Tagen Konrads II., wie der ständige Hinweis auf Heinrich III., den Adressaten der Konrad-Biographie, lehrt. Zugleich aber scheint der Autor selbst anzudeuten, dass derartige Zahlungen „in den weiteren Rahmen der Servitialpflicht gehörten“. Da die Neubesetzung Basels im Juni 1025 erfolgte, als Konrad II. diese Stadt Burgunds, wenn nicht schon eroberte, so doch militärisch besetzte, könnten die Zahlungen als eine  Art Kontribution oder als Vorgriff auf das bis dahin hier nicht übliche servitium regis, von Gisela vielleicht auch als Anzahlung auf ihr mütterliches Erbe verstanden worden sein. Das am 23. Juni 1025 in Basel ausgestellte Privileg für das Kloster Murbach lässt erkennen, dass der neue Bischof beträchtliche Güter, die Heinrich II. Murbach entzogen und Udalrichs Vorgänger Adalbero verliehen hatte, dem elsässichen Kloster zurückgeben musste. Aribo von Mainz und Werner von Strassburg trugen diese Transaktion mit. Es war also nicht so, dass Udalrich von Basel nur an das Königspaar zu zahlen hatte.

 

 

1070

 

So wurde die Festfeier von Mariä Reinigung in Augsburg begangen, und hierher verfügte sich – eben zum 2. Februar – auch eine Abordnung aus Constanz, um vom Könige die Genehmigung der daselbst getroffenen Vorwahl zu erbitten.

Die angesehenen Geistlichen und Laien hatten als Bischof für Ru,old’s Kirche einen dieser selbst angehörenden Geistlichen, Siegfried, welcher mit seiner Eigenschaft als Constanzer Domherr auch diejenige eines Kapelans des Königs verband, in Aussicht genommen, und sie Schlugen zu Augsburg denselben zur Bestätigung vor. Aber von Heinrich IV war als Rumold’s Nachfolger der Domherr der Magdeburger Kirche und zugleich Probst der Kirche auf der Harzburg, Karl, welcher auch durch allerlei Dienstleistungen ihm schon bisher näher verbunden war, auserwählt, so dass er den von den Constanzern ihm vorgeschlagenen Siegfried nicht annahm.

 

 

 

 

 

 

[1] Wido episcopus Ferrariensis de scismate Hildebrandi, c. III, p.536.

[2] Geismar, H., 19

[3] Geismar, H., 36.

[4] Ibidem, 53.

Advertenties

Over Ria van Loenen

Historica en tekstschrijfster, werkt aan de eerste biografie van de middeleeuwse koning en keizer Hendrik III (1039-1056), heeft een aantal essays over keizer Hendrik IV (1050-1106) geschreven en werkt aan een reconstructie van het leven van zanger en componist Marc'Antonio Pasqualini (1614-1691).
Dit bericht werd geplaatst in Afkomst en jeugd. Bookmark de permalink .

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s