De vader der armen

Hendrik IV werd geboren op 11 november 1050, op St. Maartensdag. Martinus van Tours, die zijn mantel deelde met een arme, was dus zijn schutspatroon, zijn persoonlijke beschermheilige. Het behouden van de gunst van deze patroon moet een belangrijke drijfveer voor hem geweest zijn, wat niet alleen tot uiting kwam in de grootscheepse verbouwing van de aan St. Martinus gewijde domkerk van Mainz door Hendrik IV, maar ook in de maatregelen die hij nam om de positie van armen en verdrukten te verbeteren. Mildheid, barmhartigheid, het geven van aalmoezen behoorde traditioneel tot de christelijke plichten van een koning, maar Hendrik IV zou hierin veel verder gegaan zijn:

“Wenn aber das, was in der Vita berichtet wird, auch nur in etwa der Realitat entsprach, dann hat Heinrich IV. sich weit über diese Konvention hinaus persönlich den Armen zugewandt, indem er diese zu einem integralen Teil seines täglichen Lebens machte und sich persönlich um ihre Belange kümmerte. Er hätte damit einem Ideal entsprochen, wie es mehr als ein Jahrhundert später etwa Elisabeth von Thüringen (1207-1231) verwirklichte, die deshalb als Heilige vererhrt und auch kanonisiert wurde. Man steht bis heute ein wenig hilflos vor diesem Porträt, das den Herrscher, den seine gegner als „Monster“ (Tellenbach 1988) zichneten, zumindest indirekt als Heiligen darbietet. Niemand aber hat bisher die Konsequenz gezogen, diesen Aspekt zum Ausgangspunt für eine Persönlichkeitsschilderung Heinrichs IV. zu machen – und dies gewiss zu Recht. Es ist einfach zu unsicher, ob die Angaben über sein Verhältnis zu den Armen etwas mit Heinrichs konkreter Lebensführung zu tun haben.“ [1]

Dat het onzeker is of Hendrik IV zich werkelijk zo tegenover de armen gedragen heeft, valt niet te ontkennen. Strikt genomen valt er over zijn persoonlijke leven niets met zekerheid te zeggen. Een feit is echter dat de schrijver van de Vita niet de enige is die opmerkelijke dingen weet te berichten over Hendrik IV en zijn verhouding tot de behoeftigen.

Als we de auteur van het Carmen de bello saxico mogen geloven, was het verdedigen van de rechten der armen zelfs het uitgangspunt voor de “Saksenpolitiek” van Hendrik IV.

Op een bijeenkomst in Hoetensleben eind juni 1073, brachten de Saksische edelen vele aanklachten tegen Hendrik IV naar voren. Hij rechtvaardigde zich met de bewering dat hij de orde had hersteld en dat hij de armen datgene teruggegeven had waarvan de Saksische edelen hen met geweld hadden beroofd:

“Ich bringe in Ordnung, was ihr frommen Verdiensten zuwider ertrugt. Doch wogegen ihr Klage erhebt, ist weder Unrecht noch Gewalt. Eure Gesetze und euer Recht trachte ich nicht zu zerstören; was den Armen unter Anwendung von Gewalt geraubt, fordere ich zurück und erstatte es wieder; und davon gehe ich nicht ab, wenn Gott mir das Leben schenkt…“[2]

 

 

 

De anonieme auteur van de Vita Heinrici geeft een zevental voorbeelden van de maatregelen die door de keizer zouden zijn genomen om de armen en zieken te verzorgen.

– “Hij heeft jullie gespijzigd; hij heeft met zijn handen jullie gewassen, hij heeft jullie naaktheid bedekt.”

– “Niet voor zijn deur maar voor zijn tafel lag Lazarus, en hij verwachtte niet de broodkruimels maar de koninklijke lekkernijen.”

 

Dit element van het geven van koninklijke lekkernijen aan de armen zien we ook in de verhalen van William van Malmesbury over koning Hendrik. William beschrijft hoe aanhangers van de abt van Fulda een bloedbad aanrichtten tijdens een hofdag in Mainz. Dit verhaal is ook in een iets andere vorm overgeleverd door Lampert van Hersfeld, die het in Goslar in 1063 laat plaatsvinden. “toen de mis afgelopen was” vertelt William van Malmesbury, “werden de armen door herauten bijeengeroepen. Alle spijzen die voor hem en zijn hofhouding waren bereid schepte hij voor hen op om te gebruiken, zelf de bijgerechten erbij zettend, eigenhandig de tucht van de bedienden volstrekt volhoudend, zelf de resten van het eten opvegend.”[3]

 

– “Zelfs aan zijn eigen tafel schrok hij niet terug voor de etter en de stank van de zweren van de zieken, terwijl de dienaar aan tafel tegen degenen die stonken zijn neus vertrok of dichtstopte,”

 

De koning was niet bang voor poep. Aartsbisschop Adalbert van Hamburg-Bremen stierf op 16 maart 1072 na een lang ziekbed. Toen hij “wegens de onreinheid van zijn ziekte” (hij leed aan diarreeaanvallen) geen enkel bezoek wilde ontvangen, liet hij slechts één uitzondering toe: Hendrik IV. Vaak zat deze aan het bed van de bijna 70-jarige grijsaard, die zijn opvoeder en raadgever geweest was[4].

 

– “In zijn slaapvertrek lagen blinden, lammen en lijders aan verschillende ziekten; deze ontdeed hij zelf van hun schoeisel, legde hen neer, stond ’s nachts op om hen toe te dekken, schrok er zelfs niet voor terug degenen aan te raken van wie de ziekte tot bevuiling van het bed geleid had.”

 

Lijders aan de meest uiteenlopende ziekten bevolkten het slaapvertrek van de koning. Was dit misschien de reden waarom hij er op stond dat de “misgeboorte” Askarius onmiddellijk bij hem gebracht zou worden? Dat deze patiënt zeer belangrijk was voor de koning valt op te maken uit een brief die bisschop Günther van Bamberg in 1064 ontving van een vertrouweling. De jonge koning had er op gerekend dat de misvormde man door een gezant van de bisschop bij hem gebracht zou worden, maar zijn bevel was niet opgevolgd.

“Het is nodig dat u een betrouwbare gezant stuurt… die Askarius, uw lieveling, een natuurlijk monster, zonder twijfel naar de koning brengt. Want A. bracht hem niet naar het jongetje, maar de koninklijke ziel wordt geheel en al boos, omdat hij hem, wat u beloofd had, nog niet heeft. O mores, o tempora! Zoals de koning en de bisschop op een moment van gevaar over een misgeboorte in conflict raken.”[5]

Waarom was de koning er zo op gebrand dat deze “misgeboorte”, dit “natuurlijk monster” “zonder twijfel” bij hem gebracht werd? De gedachte aan hofnarren, dwergen en primitief middeleeuws (leed)vermaak dringt zich haast onvermijdelijk  op. Maar de werkelijkheid zou wel eens anders geweest kunnen zijn, als men bedenkt dat Hendrik IV zijn privé-vertrekken openstelde voor alle mogelijke soorten patiënten, met de bedoeling hen eigenhandig te kunnen verzorgen. Het is niet ondenkbaar dat Hendrik de “misgeboorte” eveneens een plek had gegund temidden van zijn “verzameling” zieken en gebrekkigen.

 

– “Op zijn reizen gingen de armen hem vooruit, begeleidden hem en volgden hem en ofschoon hij hun verzorging aan zijn vertrouwelingen overgedragen had, zorgde hij toch voor hen alsof zij aan niemand toevertrouwd waren”.

– “Maar ook overal, door al zijn hoven heen, had hij de ondersteuning van de armen bevolen en hij zelf wilde hun aantal en het aantal van de gestorvenen weten, zodat hij voor een overledene de dodenmis kon houden en op diens plaats iemand anders kon opnemen.”

 

Dat het aantal armen dat voor verzorging in aanmerking kwam nauwkeurig was vastgelegd, blijkt uit enkele oorkonden.  In D HIV 465 voor het klooster St. Maximin bij Trier wordt bepaald dat op de jaardag van de keizerkroning, de laatste dag van maart, de broeders de verplichting hadden om 300 armen te voeden en 12 van hen te kleden. Dit moest gebeuren zolang de keizer in leven was. Na zijn overlijden moest het gebruik op zijn sterfdag worden voortgezet.

Dienovereenkomstig werd in D HIV 471 voor het klooster Prüm bepaald dat op de dag van zijn troonbestijging (17 juli) en op de dag van zijn keizerskroning missen, gebeden en maaltijden gehouden werden door de broeders en dat 50 armen moesten worden gevoed, dit gold eveneens op de kroningsdag van zijn zoon Hendrik V (6 januari, Epiphanie). Na zijn dood zou zijn zoon ervoor zorgdragen dat op alle jaardagen missen, gebeden en maaltijden door de broeders zouden worden gehouden voor de ziel van de keizer en 300 armen zouden worden gevoed en 30 gekleed.

Dan is er nog de oorkonde D HIV 475 voor Speyer waarin bepaald wordt dat op de sterfdag van grootmoeder keizerin Gisela de broeders bijeenkomen in de grote kerk waar zij begraven ligt om een vesper en vigiliën te houden en voor een maaltijd in het refectorium en dat bovendien op die dag 20 armen zullen worden gevoed. Waarom juist de sterfdag van keizerin Gisela als gelegenheid om de armen te voeden werd gebruikt en niet die van een van de andere verwanten van Hendrik IV wordt niet uitgelegd, maar een verklaring zou kunnen zijn dat Gisela net als haar kleinzoon op 11 november geboren was en dus ook Martinus van Tours als beschermheilige had.

Toen Hendrik IV in 1111, vijf jaar na zijn dood, eindelijk zijn laatste rustplaats kreeg in het koor van de dom te Speyer, was dit voor zijn zoon Hendrik V een aanleiding om de burgers van Speyer van verschillende knellende belastingen te bevrijden. Deze privileges zouden echter alleen geldig zijn als de burgers “elk jaar voor de herdenking van onze vader plechtig in godsdiensten bijeenkomen, kaarsen in de handen houden en vlijtig een brood uit elk huis als aalmoes schenken en aan de armen doen toekomen”.  Hiermee meende Hendrik V in de geest van zijn vader handelen.

 

 

Verder zien we in de oorkonden van Hendrik IV een toenemende tendens om voor getrouwen van nederige afkomst dodenmissen te bekostigen. Dit was een nieuwe ontwikkeling. Reeds als 8-jarige deed hij in een ongewone oorkonde een schenking aan het stift St. Pölten, ten behoeve van het zielenheil van zijn kindermeisje (pedisssequa) Imma, die daar voor de poort van het stift begraven lag. Imma zou qua afkomst een vrijgelatene[6] geweest zijn.[7]

Een ander voorbeeld was zijn goede vriend Liutpold van Meersburg. Zo deed Hendrik op 30 juli 1071 aan de abdij Hersfeld een aanzienlijke schenking voor het onderhouden van een jaarlijkse gedenkdienst voor deze “zeer getrouwe en hem zeer dierbare ridder”[8], die bij een jachtongeval om het leven gekomen was.[9] De plechtige begrafenis van deze ministeriaal in de kloosterkerk van Hersfeld baarde veel opzien, temeer daar bij het uitvaardigen van de oorkonde ook nog eens de broers van Liutpold, Arnold en Berthold als interveniënt optraden en daarbij omschreven werden als familiares, intieme raadgevers van de koning. Het toenemende aantal koninklijke gedenkvieringen voor milites duidt op de groeiende betekenis van deze beroepsgroep (en de afnemende betekenis van de hoge adel) aan het hof van de koning. [10]

Dat de armenzorg van Hendrik IV systematisch georganiseerd werd als een soort rampenplan in tijden van nood blijkt uit het volgende thema:

– “Wanneer de onvruchtbaarheid van een jaar een hongersnood in het vooruitzicht stelde, nam hij de verzorging van vele duizenden op zich, waarlijk indachtig het woord van de Heer, dat voorschrijft: ‘Maak uw vrienden uit de Mammon der ongerechtigheid, opdat, wanneer u gestorven zijd,  zij u in de eeuwige hutten opnemen’. “

Dit aspect wordt bevestigd door Sextus Amarcius, die ook zegt dat de armenzorg van Hendrik IV voortreffelijk gepland was.

„Hendrik de derde scepterdrager van de burcht van Rome[11] zei: ‘Breek je brood, dat beveelt God, voor de hongerenden en bedek de naakten.’ Wonderlijk heeft hij die vroomheid voortgezet, vasthoudend aan het behagen van God en het wegnemen van schulden, in de tijd toen een wrede hongersnood vele burgers van de wereld roofde en duizend lijken neerwierp, herstelde hij het moreel van de geringen en ontelbare ernstig verzwakten vaderlijk door voortreffelijke organisatie; vervolgens wordt gezegd dat hen met talloze munten voor dagrantsoen onderhield tot dat zwarte jaar eindelijk voorbij was”.[12]

 

 

Vervolgens benadrukt de Vita-schrijver nog zeven keer hoe groot het gemis is, na de dood van de keizer.

 

–  Wie zal aan hen (de armen) deze uit mensenliefde gegroeide zorg besteden?

–  Wie zal de vraag stellen, waar een zieke ligt, of wat hij aan voedsel begeert?

– Op wie zullen voortaan deze plichten van medelijden rusten, welke keizer Hendrik op zich genomen heeft?

– O, die man, uitmuntend door het lof der vroomheid en der deemoed!

– De wereld heeft hij, de armen hebben hem bevolen.

– De wereld heeft hem, hij heeft de armen gediend.

–  Hij heeft dit niet om de eer gedaan, maar door de geschiktheid van zijn aanleg. Wie anders dan God alleen kan weten wat hij doorgemaakt heeft? “

 

 

 

 

 

[1] Althoff, G., “Die letzten Salier im urteil ihrer Zeitgenossen“, 84.

[2] Landgraf, W., 128.,  Carmen de bello Saxico.

[3] Willelmi Gestis Regum Angl. Lib II, c. 192, over het bloedbad dat door aanhangers van het klooster Fulda tijdens een mis werd veroorzaakt.

[4] Landgraf, W., 114.

[5] Schramm, P.E., Denkmale, 73, n. 419.

[6] D. HIV 39.

[7] D. HIV 41, Ybbs, 2 oktober 1058. “Verunechtet, gedeeltelijk vervalst”.

[8] D. HIV 243.

[9] – wat misschien voor Hendrik IV in psychologisch opzicht nog extra pijnlijk geweest kan zijn omdat hij zijn vader op dezelfde manier verloren had.

[10] Boshof, E., Die Salier.188.

[11] Hendrik IV, volgens Romeinse telling de derde keizer met die naam.

[12] Sextus Amarcius, Sermones, III, v. 141-150.

Advertenties

Over Ria van Loenen

Historica en tekstschrijfster, werkt aan de eerste biografie van de middeleeuwse koning en keizer Hendrik III (1039-1056), heeft een aantal essays over keizer Hendrik IV (1050-1106) geschreven en werkt aan een reconstructie van het leven van zanger en componist Marc'Antonio Pasqualini (1614-1691).
Dit bericht werd geplaatst in Verdediging van Hendrik IV. Bookmark de permalink .

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s