Hendrik IV en zijn zusters

Tot de zwaarste misdrijven waarvan Hendrik IV beschuldigd werd, behoorde de verkrachting van zijn bloedeigen zuster, de abdis Adelheid van het klooster Quedlinburg, een bewering die ook door moderne lezers nog als schokkend ervaren wordt, lange tijd als vijandelijke propaganda bestempeld is, maar onlangs door Gerd Althoff opnieuw voor geloofwaardig gehouden werd omdat de beschuldiging deel uitgemaakt zou hebben van de aanklacht van de Saksen tegen Hendrik IV[1]. De bron is Bruno’s De bello Saxonico. In hoofdstuk 9 schrijft Bruno: “Alleen dit wil ik er nog aan toevoegen, wat de rechtvaardige rechter niet zonder straf moge laten, de ontering die hij zijn zuster toebracht, terwijl hij haar met zijn handen neergedrukt hield zolang als een ander op zijn bevel gedwongen in aanwezigheid van de broer met haar geslachtelijke omgang had. Het hielp haar niet dat zij de dochter van een keizer, dat zij zijn enige zuster van beide ouders was[2], dat zij door de heilige sluier met Christus verloofd was ”.[3]

Bruno vertelt niet hoe hij aan deze intieme informatie gekomen is, noch wat Hendrik IV ertoe bracht zijn zuster op deze wijze te onteren. In het aansluitende hoofdstuk 10 onthult hij echter wat zijn Bijbelse inspiratiebron is door de namen Berseba en Urias te noemen[4]. We begrijpen nu dat hij zijn stof ontleend heeft aan II Samuël 11 en 12 waar koning David overspel pleegt met Berseba, de vrouw van Urias, onmiddellijk gevolgd door II Samuël 13, waarin Absalom, een zoon van koning David zijn broer Amnon ertoe aanzet incest te bedrijven met hun zuster Tamar. Hendrik IV in het bijbelse rolmodel van Absalom – de boodschap is duidelijk, deze koning deugt niet en zal nog eens lelijk aan zijn einde komen (Absalom werd gedood toen hij met zijn lange haar in de struiken bleef hangen.

Ook Lampert van Hersfeld suggereert dat Hendrik IV zijn zuster Adelheid iets heeft aangedaan, maar hij noemt geen bijzonderheden. Hij spreekt van de “ernstige zaken” (“graves causas”) waarmee de koning zijn beste vrienden, zijn echtgenote, zijn zuster de abdis van Quedlinburg en andere personen die nauw met hem verbonden waren zou hebben benadeeld.

Uit andere bronnen blijkt niets van een conflict tussen Hendrik en deze zuster. Integendeel, men kon hen met enige regelmaat gezamenlijk zien optreden.

Op 26 maart 1060 vierde Hendrik Pasen in Halberstadt, in gezelschap van zijn moeder, zijn verloofde Bertha en zijn zusters, waaronder Adelheid.

Op 5 maart 1062 is Adelheid interveniënt in een oorkonde van Hendrik IV voor abt Folkmar te Nienburg aan de Saale.

Op 9 maart 1062 interveniëert Adelheid te Goslar in een oorkonde van haar broer voor bisschop Hezilo van Hildesheim.

Met Pinkstern 1063 wordt zij door bisschop Burckhard van Halberstadt en abt Siegfried tot abdis gewijd. Zij interveniëert in een oorkonde van Hendrik IV voor abdis Liutmuth van Berge.

Op 12 april 1069 viert Hendrik IV Pasen bij zijn zuster in Quedlinburg.

Op 12 juni 1071 viert Hendrik IV Pinksteren in Halberstadt en woont de inwijding van de domkerk bij in aanwezigheid van zes bisschoppen, hertog Ordulf, Bertha en zijn zuster Adelheid.

Vervolgens zien we Hendrik lange tijd niet meer in Quedlinburg, als gevolg van de Saksenoorlog, Canossa en de keizerkroning te Rome in 1084 met opnieuw een langdurig verblijf in Italië.

Als hij terug is in het rijk brengt Hendrik IV opnieuw een bezoek aan zijn zuster. Op 14 augustus 1088 wordt Quedlinburg belegerd door een vijand van de keizer, markgraaf Ekbert II van Meissen. Hendrik IV heeft hier zijn tweede echtgenote Eupraxia (Praxedis), die als koningin de naam Adelheid krijgt, ondergebracht bij zijn gelijknamige zuster.

In 1090 wordt markgraaf Ekbert II, een fervent tegenstander van Hendrik IV, gedood in een molen aan de noordrand van de Harz. De moordenaars zouden zijn gestuurd door abdis Adelheid, waarmee zij  – als dit waar is – haar broer een grote dienst bewijst Adelheid overlijdt op 11 januari 1095.

De tegenstanders van Hendrik IV vermengden fantasie en fictie, volgens de auteur van de Vita Heinrici.

Er bestaat nog een ander verhaal, waarin “de enige kloosterlijke zuster” van de keizer betrapt wordt op het hebben van een seksuele relatie. De keizer reageert op ongewone wijze. Niet dat hij zijn zuster in een houdgreep neemt tijdens de daad, zoals bij Bruno, maar het is toch wel ongebruikelijk dat hij haar, die een kloosterlijke gelofte van kuisheid gebroken heeft, een abdij schenkt en dat hij haar minnaar tot bisschop benoemt, in plaats van hen beiden te bestraffen. De legende illustreert dat de seksuele moraal van de keizer afweek van de opvattingen over het celibaat van de hervormingsgezinde geestelijkheid onder leiding van Gregorius VII. Onkuise geestelijken worden beloond.

 

“Zijn enige kloosterlijke zuster mocht hij zo graag, dat hij het niet kon verdragen wanneer ze van zijn zijde week, maar altijd moest zij met hem zijn eetkamer gebruiken. Toen hij dus in een winter die door sneeuw en rijp grimmig ruig was, lange tijd op een plaats vastgehouden werd, hield de hofgeestelijke van het huisgezin met het meisje gedurende vele nachten in zijn slaapkamer onafgebroken nachtwaken en hoezeer zij elkaar ook in menig opzicht de rug toekeerden, iemand bemerkte de liederlijkheid omdat het moeilijk was de misdaad niet te verraden door gezicht of gebaar; en reeds werd de zaak door het volk druk besproken, alleen de keizer wist het niet en durfde te geloven dat zijn zuster kuis was. Maar toen zij op een nacht van de liefde genoten met omarmingen en de liefkozingen langer uitrekten, verlicht door de maan, en zie, de hele aarde was met sneeuw bedekt, toen vreesde de geestelijke dat hij door zijn voetsporen in de sneeuw betrapt zou worden en overtuigde zijn vriendin dat hij op haar rug aan die moeilijkheden zou kunnen ontsnappen. Zij weigerde de schaamteloosheid niet mits hij de schaamte zou ontwijken, tilde de vrijer op haar rug en droeg hem uit het hof. En toen de keizer toevallig opstond om te wateren en door het venster van het achterste kamertje keek, zag hij de geestelijke rijden; bij het eerste gezicht schrok hij, maar toen hij beter keek verstomde hij van schaamte en verontwaardiging. Terwijl hij aarzelde of hij het vergrijp ongestraft moest laten of eervol logenstraffen, deed zich de gelegenheid voor dat hij een vacant bisdom aan de geestelijke kon geven, deze gouden woorden sprekend: “ Neem dit bisdom,” zei hij,“en kijk niet langer naar een onberijdbare vrouw” Zijn zuster gaf hij een abdij met de woorden: “Wees abdis, en niet langer het paard van een vaderlijke geestelijke.” Verward deden ze een ernstige gelofte die ze werkelijk meenden en verlieten de schanddaad omdat ze geloofden dat hun heer goddelijk geïnspireerd was.’[5]

 

[1] Alhoff, G., Heinrich IV, 101.

[2] Dit is onjuist, Hendrik IV heeft vier zusters gehad, Mathilde, Gisela, Adelheid en Judith.

[3] Althoff, G., 99.

[4] Bruno, Cap 10: „Sed quia nefanda stupra nefandina genera solent homicidia, sicut ille non unam Berseba libidinosus stupravit, ita non unam Uriam crudelis interfecit.“

[5] William van  Malmesbury, c. 190: De sorore imperatoris et clerico illam diligente. Praeterea crebro tumultibus regni expeditus, cum se communioni et hilaritati dedisset, ioci plenus, ut sat erit duobus probare exemplis. Sororem sanctimonialem unice diligebat, ut suo eam lateri deesse non pateretur, sed semper triclinium eius suo coniungeret. Dum igitur, quadam hyeme, quae nivibus et pruinis aspere inhorruerat, uno diu loco detineretur, clericus quidam curialis, familiarior iusto puellae effectus, crebro nocturnas in cubiculo eius protelabat vigilias, et quamlibet multimodis tergiversationibus nequitiam palliaret, advertit illud aliquis, quod difficile sit crimen non prodere vultu vel gestu; et iam vulgo rem ventilante, solus nesciebat imperator et sororem suam pudicam credere audebat. Sed cum quadam nocte cupitis fruerentur amplexibus et diutius se voluptas protenderet, illuxit mane, et ecce omnem terram nix operuerat; tum clericus, qui se deprehendendum per vestigia in nive timeret, persuadet amicae suae, ut dorso eius impositus angustias illas evaderet. Illa non refutans impudentiam, dummodo vitaret verecundiam, levat tergo amasium et extra curiuam effert. Et forte tum imperator minctum surrexerat, et per fenestram coenaculi despiciens vidit clericum equitantem; primo quidem visu hebetatus, sed re diligentius explorata, pudore et indignatione obmutuit. Interea haesitanti, utrum peccatum impunitum dimitteret vel peccantes honeste redargueret, obvenit occasio, ut episcopatum vacantem daret clerico, haec verbo auribus insusurrans: Accipe, inquit, episcopatum, et vide ne ulterius inequites mulierem. Item dans abbatiam sanctimonialium germanae: Esto, ait,abbatissa, nec ultra patiaris clericum equitem. Confusi illi, qui tam gravi dito se sentirent lapidatos, desiverunt a flagitio, quod divinitus inspiratum putabant domino.

 

 

Advertenties

Over Ria van Loenen

Historica en tekstschrijfster, werkt aan de eerste biografie van de middeleeuwse koning en keizer Hendrik III (1039-1056), heeft een aantal essays over keizer Hendrik IV (1050-1106) geschreven en werkt aan een reconstructie van het leven van zanger en componist Marc'Antonio Pasqualini (1614-1691).
Dit bericht werd geplaatst in Beschuldigingen tegen Hendrik IV. Bookmark de permalink .

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s